Verscheurd Syrië

Van een revolutie is nog niet echt sprake. Wel van een wanhopige opstand, die de Syriërs verdeelt. Undercoverbericht uit een gistende dictatuur. ‘Het is hier verschrikkelijk.’

Een goede voorbereiding is het halve werk, luidt een bekende regel, en dus neem ik voor mijn vertrek naar Damascus contact op met enkele in Nederland wonende Syriërs. Maar hun woorden vallen me bitter tegen: ‘Niet gaan,’ luidt het devies. “Het is heel gevaarlijk geworden,” mailt een van mijn contacten. “En jij bent een makkelijk doelwit.”

Met een ander contact maak ik een plan om naar Homs te gaan, de grootste brandhaard van dit moment. Hij pakt een vel papier en tekent een cirkel. “Dit is het station waar je aankomt, ernaast zit het kantoor van de veiligheidsdienst. Pak een minibus, tot het einde van de straat. Hier heb je twee checkpoints. Ga naar links, daar vind je de kerk van pater Frans, een Nederlander. Doe alsof hij het doel is van je bezoek aan Homs, en wacht daar totdat mijn nichtje of broer je komt ophalen.”

Een paar dagen later belt hij me. “Sorry, het plan kan niet doorgaan. Mijn familie vindt het te gevaarlijk. Ook voor zichzelf, snap je?”

Met een vriend in Damascus maak ik een ander plan. Hij zal zich voordoen als mijn geliefde en me van het vliegveld komen ophalen. Volgens hem is dat het enige verhaal dat geloofwaardig genoeg is om een visum te krijgen. Een dag voor mijn vertrek mailt hij. “Ik kan toch niet komen, want als ik gezien word met een buitenlander, noteert de veiligheidsdienst het nummerbord van mijn auto en word ik binnen de kortste keren ondervraagd.”

Eenmaal op het vliegveld van Damascus, op 7 oktober, lijkt alles haast verdacht normaal. Het enige opvallende is dat de muren nog net iets meer behangen zijn met posters van de al dan niet wankelende man aan het roer, Bashar al-Assad. En hingen die Syrische vlaggen er de vorige keer al? De nieuwe reden van mijn komst – ‘Vrienden opzoeken’ – heb ik vele malen in gedachten herhaald, opdat die er soepel uit zou komen. Maar de douanebeambte lijkt helemaal niet geïnteresseerd in de reden van mijn aanwezigheid. Zonder op- of omkijken zet hij een stempel in mijn paspoort.


Buiten staat de bus naar het centrum al klaar. De dame naast me begint meteen een praatje. Ik speel de naïeve toerist. “Zeg, ik hoorde dat er wat veiligheidsproblemen zijn in het centrum van Damascus. Klopt dat?” Ze kijkt me verbaasd aan. “Nee hoor, er is helemaal niets aan de hand.”

Inderdaad blijkt er bij aankomst in het centrum niet direct iets bijzonders te bespeuren. De verkeersmassa is er niet minder op geworden. En ’s avonds, als de temperatuur is gedaald, gaan de mensen als vanouds de straat op om gearmd door de binnenstad te slenteren, eindigend in een theehuis waar onder het genot van de waterpijp eindeloos backgammon wordt gespeeld.

Is het schone schijn? Ja, zo blijkt. Bepaalde buitenwijken zijn afgesloten; hier wordt al maandenlang geprotesteerd en heeft het militair gezag de overhand. In het centrum patrouilleren meer agenten dan gebruikelijk, en voor het eerst zijn er ook militairen te zien, de meesten overigens ongewapend. Ook opvallend: sommige taxichauffeurs, die anders ruzie maken om wie jou – een buitenlander met een ‘goed gevulde portemonnee’ – mag vervoeren, rijden plankgas met een leeg voertuig voorbij. Een buitenlander op de achterbank is nu opeens een risico. Als er al een taxichauffeur stopt, verloopt de rit in ijzige stilte, terwijl de chauffeur nerveus de ene na de andere sigaret opsteekt.

Maar misschien wel de meest in het oog springende verandering vormt de verlaten aanblik van de christelijke wijk, binnen de oude stadsmuren van de hoofdstad. Normaal gesproken is dit een bruisende wijk, maar nu zijn de cafés overdag nagenoeg leeg. De winkels die antiek, meubels, tapijten en Arabische snuisterijen verkopen zijn niet gesloten, maar de verkopers hangen bij gebrek aan klanten verveeld op straat. En de hotels in de wijk zijn alleen nog open voor speciale gelegenheden, zoals bruiloften en verjaardagspartijen.


De ondernemers zijn boos, maar hun frustratie richt zich niet op de Syrische regering, en al helemaal niet op president Bashar al-Assad, aan wie zij in hun ogen de economische voorspoed van afgelopen jaren te danken hebben. Wie wel schuld heeft aan de huidige malaise, is ‘het Westen’, Amerika en Frankrijk voorop. “Die landen willen Syrië naar de afgrond helpen,” denkt André, de eigenaar van café ‘Zomer en Winter’. “Het buitenland wil dat we ons hoofd buigen voor Amerika. Dat we vrede sluiten met Israël, en Hezbollah en Hamas als vijanden gaan zien. Maar dat zullen we nooit doen, wij hebben onze eigen principes.” En de Syriërs dan die dagelijks de straat op gaan om het aftreden van de president eisen? André wuift de vraag weg. “Dat is een minderheid. Hun aantal neemt af. Het is goed dat het leger ingrijpt, want de demonstranten zijn heel gewelddadig. Ze hebben wapens, schieten op het leger en steken gerechtsgebouwen in brand. Daar moet hard tegen worden opgetreden.”

Dat gebeurt inderdaad. Diezelfde dag vallen er in Homs – de derde stad van Syrië, 160 kilometer ten noorden van de hoofdstad Damascus – 27 doden. De dagen daarna loopt het dodental verder op. Het leger heeft de stad omsingeld, en op de straten vindt een schimmig spel plaats waarbij vaak niet duidelijk is wie op wie schiet. De grote nieuwszenders brengen tegenstrijdige berichten. Zo spreken westers georiënteerde zenders als BBC en Al Jazeera steevast van ‘veiligheidstroepen van Assad’ die, soms gehuld in burgerkleding, op vreedzame demonstranten schieten. Volgens de Syrische staatsmedia daarentegen gaat het om ‘gewapende bendes’ van buitenlandse terroristen of soennitische moslims die gesmokkelde wapens gebruiken. Ze zouden het op Syrische soldaten hebben gemunt die in de stad zijn om – hoe ironisch – ‘de bevolking te beschermen’.


“Er woedt een ware mediaoorlog,” verzucht Ola, een journaliste. “Het klopt dat westerse zenders de feiten aandikken. Maar de Syrische staatsmedia verkopen regelrechte leugens. Soms gaat het elk voorstellingsvermogen te boven. Zo werd gemeld dat er in Qatar, het land dat Al Jazeera sponsort, een Syrisch dorp is nagebouwd waar figuranten tegen betaling demonstranten spelen. Veel Syriërs geloven het nog ook. Ze hebben nooit geleerd om buiten het vertrouwde kader te denken. Toen in Egypte de revolutie uitbrak, keek iedereen nog gewoon naar Al Jazeera. Sinds de staatsmedia zijn begonnen met hun campagne tegen de nieuwszender, denken veel mensen dat die leugens verkondigt.”

Ola, een trouwe vriendin, had me die dag verbaasd opgehaald op de afgesproken plek, in de volkswijk Jaramana. “Ben je gek geworden? Wat doe je hier? Ze zullen denken dat je een spion bent, of een journalist.” Om haar eigen veiligheid lijkt ze zich minder zorgen te maken. Op straat zegt ze luidkeels: “Het is hier verschrikkelijk. Je moet niets geloven van wat ze in het nieuws zeggen. Drieduizend doden? Het zijn er véél meer. Duizenden mensen zijn verdwenen, ook zeven vrienden van mij. Meestal omdat ze felle commentaren op Facebook hadden gezet.” Als ik vraag of het niet gevaarlijk is om het hier midden op straat over te hebben, haalt ze achteloos haar schouders op. “Je hoort steeds vaker kritische geluiden op straat. Mensen zijn zo gefrustreerd dat het ze niets meer kan schelen dat het gevaarlijk is.”

We nemen een andere weg dan gebruikelijk. “Gaan we niet naar je huis?” vraag ik verbaasd. “O, dat was ik vergeten te vertellen,” verzucht Ola. “Ik ben bij mijn tante ingetrokken, want ik kon de huur niet meer betalen. Ik heb al maanden geen werk meer.”


Ola is niet de enige. Veel Syriërs zitten werkloos thuis, ondersteund door het vangnet van hun familie, en wachten af tot er betere tijden aanbreken. Zelfs de welgestelden ondervinden de nadelen van de economische malaise, die mede is veroorzaakt door de sancties van Amerika en de Europese Unie. Een rijke onderneemster vertelt dat ze van de ene op de andere dag niet meer bij haar geld kon op de Libanese Commerciële Bank, waarvan de tegoeden bevroren zijn. “Een ramp,” foetert ze. “Juist nu de bouwsector, mijn werkterrein, helemaal stil ligt, heb ik mijn spaargeld hard nodig.”

Veel Syriërs hebben niet eens spaargeld en zijn niet in staat om hun vaste lasten te voldoen. Maar niet betalen is vaak óók een stil protest. Zo weigeren velen nog langer hun elektriciteitrekening te betalen. Dat de stroom niet is afgesneden, wijst erop dat de regering het gedoogt, uit angst dat nog meer mensen uit onvrede de straat op gaan. “Het zal niet lang meer duren voordat we geen gas en licht meer hebben,” denkt Ola. “De regering houdt de slinkende gas- en olievoorraden voor eigen gebruik. De tanks blijven wel rijden. De behoeften van de bevolking komen op het tweede plan.”

Maar het heeft ook een positieve kant, verwacht ze. “Het zal de woede onder de Syriërs aanwakkeren. De meesten hebben niets met politiek, zolang het maar goed gaat met hun familie. Maar zodra hun gezin onder de situatie gaat lijden, zullen veel mensen de straat op gaan om te demonstreren.”

Het is de hoop die veel tegenstanders van het regime delen: dat er een moment aanbreekt dat de situatie onhoudbaar wordt voor de regering. De economie zal verder verslechteren, de protesten zullen mede daardoor toenemen, de druk uit het buitenland zal worden opgevoerd. Kortom: Bashar al-Assad loopt op zijn laatste benen.


De aanhangers van het regime denken er echter heel anders over. Zij geloven dat alleen de regering bij machte is om de onrust de kop in te drukken. Ze doen de situatie af als ‘tijdelijk’, en verlangen terug naar het leven van vroeger. Naar de tijd dat ‘alles beter was’ en ‘alle Syriërs vreedzaam met elkaar samenleefden’, de tijd dat ‘het veilig was en je ’s avonds overal gewoon over straat kon’, de tijd ‘dat het land economisch in de lift zat’. “We hadden het zo goed,” zeggen zij. Het land floreerde: er kwamen steeds meer particuliere bedrijven, de toeristensector groeide enorm, er kwamen moderne winkelcentra en nieuwe bioscopen. Een goed draaiende economie is voor het gros van de Syriërs veel belangrijker dan een vrij politiek klimaat.

Dat gold ook voor Bashar al-Assad toen hij in 2000 zijn overleden vader, Hafez, opvolgde. De ambities van de vlot ogende, deels in Londen opgeleide oogarts lagen bij het bewerkstelligen van een markteconomie, het privatiseren van bedrijven en het opvoeren van de export. Het valt niet te ontkennen dat hij op dit gebied successen heeft geboekt, zeker ten opzichte van het sterk op het binnenland gerichte beleid van zijn vader.

Maar op politiek gebied veranderde er in al die jaren niets. De hervormingen die de president sinds het uitbreken van de onrust noodgedwongen heeft aangekondigd – zoals de invoering van een meerpartijenstelsel, verkiezingen en opheffing van de noodtoestand – zijn volgens sceptici een farce. Zo is artikel 8 van de grondwet, waarin de monopoliepositie van de Ba’ath-partij is vastgelegd, inderdaad geschrapt. Maar wie een nieuwe partij wil oprichten, moet aan een onmogelijk aantal voorwaarden voldoen. De noodtoestand is ook niet meer van kracht, maar demonstranten worden nog altijd stelselmatig opgepakt. Presidentsverkiezingen? Geen tegenstander die gelooft dat die eerlijk zullen verlopen. Maar de voorstanders prijzen de hervormingsgezindheid van hun president. Het veranderingsproces heeft gewoon tijd nodig, vinden zij.


Nooit eerder was de kloof tussen voor- en tegenstanders van het regime zo duidelijk voelbaar. Decennialang werd er niet over politiek gepraat en leek iedereen voor de buitenwereld loyaal aan het regime, maar nu worden er opeens afwijkende meningen geuit. Dat zorgt voor de nodige beroering. Een student vertelt hoe vriendengroepen op de universiteit door de situatie uiteen zijn gedreven. Mensen met verschillende opvattingen wisselen geen woord meer met elkaar. Voor het eerst wordt naar elkaars afkomst gekeken. “Vroeger kende ik de achtergrond van sommige vrienden niet eens,” zegt de student. “Het was onbeleefd daarnaar te vragen. Nu worden er conclusies getrokken als iemand een hoofddoek draagt, of een kruisje om de hals.”

Deze stigmatisering raakt de kern. Veel christenen (tien procent van de bevolking) en andere minderheden staan achter het regime. Zij voelen zich beschermd door het seculiere bewind van het Ba’ath-regime van Assad, zelf afkomstig uit de alevieten-gemeenschap. De mensen die de straat op gaan, zijn voornamelijk soennitische moslims, die zeventig procent van de bevolking uitmaken. De getalsovermacht van deze groep boezemt de regering grote angst in. Vandaar dat ze zo verbeten probeert de demonstranten weg te zetten als ‘extremisten’ die de donkere schaduw van de islam over het land zullen werpen als ze aan de macht komen. Het drama dat zich onlangs in Egypte voltrok, waar bij protesten in Caïro 24 kopten werden gedood, wordt dankbaar aangegrepen als afschrikwekkend voorbeeld van wat er gebeurt als de ‘stabiliteit’ wegvalt.

Dat de angst voor het Egyptische scenario er bij de christenen goed in zit, merk ik bij een bezoek aan Marmarita, een dorp midden in de bergen, op nog geen vijftig kilometer van Homs. Hier is geen moskee te bekennen en gaan de mensen op zondag naar de kerk. Sinds het geweld in Homs is geëscaleerd, zijn veel christenen uit de stad naar hun familie in de bergen gevlucht. In Marmarita is het inwonertal daardoor volgens voorzichtige schattingen verdrievoudigd.


De familie Alghouri woont met acht mensen op nog geen veertig vierkante meter. De twee dochters van het gezin hebben hun baan opgezegd, omdat ze van hun ouders niet meer naar Homs mochten gaan. De zoons reizen wel nog elke dag op en neer. Over de demonstraties in de stad is het gezin slecht te spreken. “Het zijn conservatieve moslims,” schampert Muhannad, de oudste van de kinderen. “Ze willen maar twee dingen in het leven: geld en een gesluierde vrouw. Ze roepen op straat wel om vrijheid, maar ze weten niet eens wat vrijheid betekent.”

Volgens Mouaz, een prominente moslimgeestelijke in Damascus, klopt er niets van dat beeld. “Er zijn in Syrië helemaal geen extremistische moslims,” zegt hij. “Het regime van Assad heeft sinds het aantreden van Hafez, begin jaren zeventig, jacht gemaakt op streng gelovigen. De Moslimbroederschap is verboden. Dat we altijd in vrede met elkaar hebben geleefd, is niet de verdienste van het regime. Het is omdat we allemaal Syriërs zijn, en dankzij onze gedeelde geschiedenis loyaal zijn aan elkaar.”

Maar de christenen in Marmarita geloven wel dat het regime hen beschermt. Als ik de bus van Marmarita naar Damascus neem, wordt duidelijk waar die gedachte vandaan komt. We passeren twee checkpoints. Onze bus, met een groot kruis bungelend voor de ruit, mag zonder controle doorrijden. De voertuigen met moslims worden daarentegen aan een grondige inspectie onderworpen. Bagage wordt doorgelicht, paspoorten gecontroleerd. Als een naam op een ‘zwarte lijst’ van de militairen voorkomt, kan de betrokkene het vervolg van zijn reis wel vergeten.

“Het probleem is dat er veel mensen zijn met dezelfde naam,” hoor ik in Damascus van Louay, een vriend die tot voor kort voor het Britse consulaat werkte, maar nu geen baan meer heeft. “Je kunt om allerlei redenen op die lijst staan. Mensen met veel voorkomende namen blijven in deze omstandigheden dus liever thuis.”


Zelf gaat Louay ook nauwelijks nog de deur uit. Niet omdat het zo gevaarlijk is op straat, maar omdat hij ‘ziek wordt’ van de propagandaoorlog van het regime. Er zijn voortdurend feesten ter ere van de president, en op de straten hangen overal vlaggen en posters met teksten als “Ik sta achter de wet” en “Bashar, zonder jou zou Syrië verloren zijn”. Nog geen twee weken geleden stond de hele stad op z’n kop omdat de regering een ‘mars der gerechtigheid’ had georganiseerd. De meeste mensen hadden vrij gekregen van hun werk om mee te kunnen doen. Er waren ‘een miljoen mensen’ op de been, althans volgens de staatstelevisie; meer realistische schattingen houden het op een kleine 400.000 deelnemers. “De staatstelevisie doet alsof die enorme opkomst het bewijs is voor de legitimiteit van Assad,” zegt Louay. “Maar als je bedenkt dat er zeven miljoen mensen in Damascus wonen, dan valt het nogal tegen.”

Als je er zelf eenmaal tussen staat, is zo’n massabijeenkomst behoorlijk overweldigend. Het is woensdag 12 oktober, en het lijkt wel of de finale van de Champions League wordt gevierd: iedereen zwaait met vlaggen, er klinken leuzen en liederen. “Ben je Russisch?” wordt mij voortdurend gevraagd. Ik antwoord bevestigend, want ik weet dat dat in mijn voordeel werkt: Rusland staat hier, net als China, op een voetstuk, omdat deze landen tegen de VN-resolutie hebben gestemd die het optreden van het regime veroordeelt. Als de resolutie was aangenomen, was er misschien wel militair ingegrepen, denken veel mensen. En dus word ik als ‘Russin’ op handen gedragen. Bijna dreigt het toneelspelletje verkeerd af te lopen. Een opgewonden journalist van de staatstelevisie vraagt of ik voor de camera kan vertellen hoeveel Syriërs er wel niet van Assad houden. Ik maak me zo snel mogelijk uit de voeten.


De volgende dag ontmoet ik Ayman, een student die allesbehalve in feeststemming is. De pro-Assad-manifestatie heeft hij thuis vol afgrijzen gevolgd. “Diezelfde soldaten die je in de menigte zag, schieten op mijn vrienden,” zegt hij. In Douma, de wijk waar hij woont, wordt al maanden gedemonstreerd. De mensen worden er geïntimideerd door middel van huisbezoeken, en op vrijdag, als er na het middaggebed standaard wordt geprotesteerd, ben je je leven op straat niet zeker. Op andere dagen van de week worden mensen soms volkomen willekeurig opgepakt. Martelpraktijken zijn aan de orde van de dag, en volgens diverse bronnen worden er vrouwen verkracht.

In de praktijk voelt iedere Syriër zich slachtoffer van de situatie. Zowel voor- als tegenstanders van het regime maken een moeilijke tijd door. Het verschil is dat de ene categorie terugverlangt naar het verleden en de andere uitkijkt naar de toekomst. De enige groep die voorlopig nog kan voortleven alsof er niets aan de hand is, is de elite. Op donderdagavond feesten ze zoals ze altijd hebben gedaan. In de bars van de chique nachtclubs laten ze hun geld rollen. “We hebben een prachtig leven,” schreeuwt een vriend, enigszins aangeschoten, in mijn oor. “En dat willen we houden. Wil je alsjeblieft iets positiefs over Syrië schrijven?”

Die nacht breken er hevige gevechten uit in Homs. Er vallen minstens 29 doden. Meer dan drieduizend Syriërs gingen hen voor.

Dit is het eerste deel van een tweeluik over Syrië. Volgende week het slot.

De Libische leider Moammar Kadhafi gooide in de jaren zeventig diverse keren zijn charmes in de strijd om Tunesië, Egypte en Syrië te verleiden tot de oprichting van een krachtige Unie, waarvan hij zelf de ongekroonde koning zou zijn. Steeds mislukte dat plan. Nu, ruim veertig jaar later, staan de landen dichter bij elkaar dan ooit. In Tunesië vonden zondag de eerste vrije verkiezingen plaats sinds de val van Ben Ali. Egypte bereidt zich voor op een gang naar de stembus. En in Syrië roepen de demonstranten in koor: “Kadhafi is weg, nu is het jouw beurt, Bashar.”


Het nieuws van de dood van de Libische dictator is in onder de Syrische demonstranten met vreugde ontvangen. “We geven onze zielen en ons bloed voor jou, Libië,” scandeerden ze.

Sinds de Libische Nationale Overgangsraad als eerste de Syrische Nationale Raad erkende, de recent opgerichte oppositiebeweging, is het respect voor de ‘Libische broeders’ alleen maar toegenomen. En dat is wederzijds. Mustafa Abdul Jalil, de voorzitter van de Libische Overgangsraad, zei dat hij hoopte dat ‘zowel de Syrische als de Libische bevolking haar hoop zal verwezenlijken’.

Nu Kadhafi er niet meer is, zullen de Verenigde Staten en Frankrijk zich opnieuw op Syrië beraden. Senator John McCain zei zondag dat nu de NAVO-campagne in Libië is is afgelopen, militaire actie om de burgers van Syrië te beschermen wordt overwogen.

Militaire actie ligt gevoelig. Zelfs de Syrische oppositie is hier geen voorstander van, gezien de vele burgerslachtoffers die in Libië zijn gevallen.

Irene de Zwaan