Buiten westen

Therapie speelt een grote rol in De verdovers van Anna Enquist, zelf psychiater. Maar gek genoeg schrijft ze trefzekerder over anesthesie in dit spannende boek met licht onwaarschijnlijke plot.

In films en vooral tv-series hebben we het inmiddels zo vaak gezien dat het een beetje irritant begint te worden: stroeve psychotherapie. De weifelende therapeut, die worstelt met het eigen leven, en de sceptische patiënt, die op de inzichten van de therapeut antwoorden geeft als: “Dat vind ik nou echt therapeutengelul.”

Romanfiguren die therapie volgen of geven zijn iets zeldzamer. Zonde – je zou zeggen dat juist dáár veel te halen is. In romans kan de therapie, makkelijker dan in films en series, vanuit de personages worden behandeld, van binnenuit, er kan snel heen en weer worden geschakeld tussen de sessies zelf en de gedachten daarover.

Therapie speelt een centrale rol in De verdovers, en Anna Enquists vijfde roman maakt je alleen daarom al nieuwsgierig. Drik de Jong, een van de twee hoofdpersonen, is psychotherapeut. De andere hoofdpersoon, Driks zus Suzan, is anesthesiologe. Haar man, Peter, is psychiater. Drik en hij zijn beste vrienden.

Drik is een wrak. Een half jaar na het overlijden van zijn vrouw probeert hij weer aan het werk te gaan, maar het is al snel duidelijk dat hij daar niet aan toe is. Zijn eerste patiënt, Allard Schuurman, een student psychiatrie, maakt het hem niet makkelijk. Allard is onvoorspelbaar; hij is zowel defensief als aanhankelijk, en, wat belangrijker is: zijn problemen komen sterk overeen met de onverwerkte ellende van zijn therapeut.

Enquist begeeft zich op bekend terrein. Naast schrijfster, dichteres en klassiek geschoold pianiste is ze psychoanalytica. Des te vreemder is het dat juist de gesprekken tussen Drik en Allard de zwakste scènes zijn van het hele boek.


Aan het begin van de behandeling, rond de derde sessie, zegt Drik: “Weet je, Allard, ik heb een sterk vermoeden dat je ergens bang voor bent. We zouden eens kunnen uitzoeken hoe dat zit. Wat je zo angstig maakt. Ik weet dat je zonder vader bent opgegroeid, misschien heeft het daar iets mee te maken.”

Natuurlijk, Drik is niet op zijn best, en de therapie komt al weken niet van de grond, maar dit advies klinkt wel erg knullig en amateuristisch. Het wachten is op het verontwaardigde weerwoord van Allard, en inderdaad, binnen een paar alinea’s kunnen we ‘m afvinken: de term ‘therapeutenpraat’.

Buiten zijn spreekkamer is Drik gelukkig minder eendimensionaal. Hij lijdt nogal aan beroepsdeformatie: hij kan niet stoppen met analyseren. Natuurlijk is hij zich hier ook van bewust, en analyseert hij dat ook weer. Tobben op metaniveau. Ook Suzan, de zus, doet het aan één stuk door. Beide personages zitten in hun hoofd opgesloten, kunnen niks doen zonder er uitgebreid bij stil te staan. Door de opbouw – één hoofdstuk over Drik, één hoofdstuk over Suzan, enzovoort, tot het einde – word je telkens uitgenodigd broer en zus te vergelijken, hun tegenstellingen te onderzoeken. Maar het is misschien wel het overeenkomstige getob dat het meest in het oog springt.

Enquist is goed in de constante, dwangmatige zelfreflectie, de innerlijke dialogen zeg maar. Drik en Suzan proberen zichzelf de hele tijd te kalmeren, onder controle te houden. Juist daardoor voel je dat het fout moet gaan, het ontploffingsgevaar is nooit ver. Misschien is Enquist nog wel het beste in het droogkomisch onthullen van ongepaste gedachten. Na een drukke nachtdienst laat ze Suzan denken: “Het is een stiekem genot om zo het ziekenhuis uit te lopen, op eigen benen, en de patiënten met hun pijn en hun kwalen binnen de muren achter te laten.”


Alledaagse ergernissen, afmatting, onhebbelijkheden, rare voorkeuren (Suzan houdt van de lucht van bloedvaatjes die worden dichtgebrand) – dat is wat de personages sympathiek maakt, en geloofwaardig.

Dat laatste is ook hard nodig, want de plot doet tamelijk bedacht aan. Het is lastig om er iets over te zeggen zonder de ontknoping prijs te geven, maar de manier waarop Suzans wereld blijkt te overlappen met die van haar dochter, is net iets te toevallig, soapachtig bijna, al komt het de vaart, het leestempo, wel ten goede. De spanning stijgt, ten koste van de geloofwaardigheid.

Het valt vooral op omdat het vloekt met de extreem realistische beschrijvingen van Suzans werk. Enquist neemt de tijd om Suzans collega’s neer te zetten, de onderlinge verhoudingen, de suffe vergaderingen en de kunstmatige pogingen om iedereen met elkaar in contact te brengen (vooral het speeddaten op het kerstdiner is, in al zijn goedbedoelde kneuterigheid, erg goed neergezet). En dan zijn daar natuurlijk de operaties, tot in de smerigste details beschreven.

In het nawoord vertelt de schrijfster dat ze een tijdje heeft meegelopen op de afdeling anesthesiologie van het VU medisch centrum in Amsterdam. Daar heeft ze stafleden geïnterviewd en mocht ze hele dagen meelopen op de operatiekamer. Dat is goed te merken: de spannende operaties én de rustige, alledaagse gang van zaken op de afdeling doen levensecht aan. Jammer dat ze over haar eigen vakgebied een stuk minder overtuigend schrijft.

Anna Enquist: De verdovers. De Arbeiderspers, €21,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Dries Muus