Die arrogante, brallerige en respectloze Muhammed Ali van vroeger hadden we eigenlijk liever niet teruggezien

Omdat voormalig wereldkampioen boksen Joe Frazier maandag overleed, zagen we gisteren op televisie ook weer veel oude beelden van Muhammed Ali. De reden liet zich raden: met hun legendarische onderlinge partijen beheersten Frazier en Ali met name in de jaren zeventig regelmatig het wereldwijde sportnieuws. Met als hoogtepunten natuurlijk The Fight of the Century (Madison Square Garden, 8 maart 1971) en The Thrilla in Manila (1 oktober 1975).

Inmiddels zijn er hele generaties opgegroeid die Ali hoofdzakelijk kennen als Parkinson-patiënt en als een man – in januari wordt hij zeventig – die op bewonderenswaardige wijze de lasten draagt die die slopende ziekte met zich meebrengt.

Maar in die oude filmfragmenten zagen we gisteren ook weer even de Muhammed Ali van weleer: binnen de ring een fenomenaal bokser, maar daarbuiten een sportman die zich veel en vaak laatdunkend uitliet over zijn tegenstanders en ze aan de lopende band probeerde te kwetsen en te vernederen. Frazier was daar overigens zeker niet het enige slachtoffer van.

Die arrogante, brallerige en respectloze Ali van vroeger hadden we eigenlijk liever niet teruggezien. Omdat we nu zijn gaan twijfelen over de vraag of je zulk onbehoorlijk gedrag als het ware kunt compenseren met prachtige bokspartijen. En ook omdat we ons plotseling gingen realiseren dat Ali de respectloze schreeuwlelijk misschien wel heel veel navolging heeft gekregen. In de Diamantbuurt, in de Tweede Kamer, in de tram, op radio en televisie en op nog veel meer plekken. Of slaan we er nu – om in bokstermen te spreken – helemaal naast?

roelof bouwman