Een financiële slangenkuil

Margin Call is een thriller over de credit crunch, verteld vanuit het perspectief van een omvallend bedrijf. Ondanks zijn crisis-budget strikte regisseur J.C. Chandor sterren als Kevin Spacey, Paul Bettany en Jeremy Irons. Een gesprek met de makers.

Halverwege Margin Call komt de hoogste baas van een investeringsmaatschappij zich melden aan het front. In het holst van de nacht wordt een spoedberaad belegd in het hoofdkantoor in New York, omdat er onverwacht enorme problemen zijn opgedoemd. Uit recente cijfers blijkt dat het bedrijf elk moment kan imploderen. Die bevindingen zijn in de voorgaande uren als een hete aardappel heen en weer geschoven tussen executives, onderknuppels, adviseurs, risico-analisten, budgetbewakers en managers. De opperbaas moet worden gewaarschuwd, daar is men het wel over eens. Niet veel later landt John Tuld (Jeremy Irons) met zijn helikopter op het dak, als een halfgod die uit de hemel is neergedaald.

De spanning aan de vergadertafel is om te snijden. Geen van de aanwezigen heeft trek om de onheilstijding aan de baas over te brengen. Die ondankbare taak wordt overgelaten aan een jonge accountant. Die is amper van wal gestoken als hij door Tuld wordt onderbroken. “Luister,” zegt deze, “ik ben niet op deze positie terechtge-komen omdat ik zo intelligent ben. Dus leg het me in eenvoudige bewoordingen uit. Praat tegen me alsof ik een labrador ben.”

Het is een van de geestigste maar ook meest ontluisterende scènes uit Margin Call. Directieleden en topmanagers blijken amper enig benul te hebben van de mechanismen die ze verondersteld worden te beheersen. Ze willen de informatie in overzichtelijke, hapklare porties toebedeeld krijgen omdat ze het anders niet snappen. En ze laten zich ook nog eens informeren door personeel dat aanmerkelijk lager in de pikorde van het bedrijf staat en slechts een fractie verdient van de salarissen die ze zelf opstrijken.


Scenarist en regisseur J.C. Chandor legt uit dat hij die scène ook heeft gebruikt als een tegemoetkoming aan de toeschouwer. “Je zult het publiek een paar dingen moeten uitleggen over wat er in zo’n bedrijf speelt. Maar ik moest zien te voorkomen dat mensen in de bioscoop zouden indutten omdat ze met ingewikkelde financiële constructies om de oren worden geslagen. Dit was een tactische oplossing.”

Het door Jeremy Irons vertolkte personage doet zich volgens Chandor overigens dommer voor dan hij is. “Hij weet zelf heus wel dat er iets faliekant mis is. Maar hij speelt zijn werknemers handig tegen elkaar uit. En ondertussen is hij druk aan het manoeuvreren om ervoor te zorgen dat hij zelf zo min mogelijk kleerscheuren zal oplopen.” Want dáár draait het vooral om tijdens het nachtelijk overleg. Het bedrijf is reddeloos verloren. Maar zolang het uitlekken van dat nieuws kan worden uitgesteld, is het nog mogelijk kapitalen weg te sluizen en miljoenen te verzilveren.

We spreken regisseur en hoofdrol-spelers op het filmfestival van Berlijn, waar ze hun verbazing uitspreken over het feit dat de financiële crisis nog zo nadrukkelijk op de agenda staat. Chandor had dat niet verwacht toen hij aan zijn scenario begon te werken. De aanzet valt terug te voeren op persoonlijke ervaringen. Chandor had met kennissen een groot oud pand in New York gekocht om op te knappen en weer te verkopen. Een kennis van zijn ouders, die goed thuis was in de financiële wereld, adviseerde hem echter met klem zijn aandeel in het project tussentijds van de hand te doen. “Dat advies heb ik opgevolgd. Ik heb er net de kosten uit weten te krijgen. Destijds voelde dat nog als een verlies. Maar achteraf ben ik natuurlijk blij en opgelucht dat ik er toen uitgestapt ben.”


Chandor realiseerde zich dat de man die hem voor een financiële strop had behoed weleens een interessant perso-nage voor een film zou kunnen zijn. “Want ik wilde een verhaal over de financiële crisis maken dat van binnen uit zou worden verteld.”

Hij situeerde zijn verhaal op het New Yorkse kantoor van een investeringsmaatschappij die miljarden dollars onder haar hoede heeft. Een medewerker die ’s middags het dossier van een ontslagen collega in handen heeft gekregen (Zach Quinto), waarschuwt ’s avonds een van zijn supe-rieuren (Paul Bettany) dat er iets mis is. Dat vormt de aftrap voor een reeks haastig georganiseerde besprekingen waarbij zich, als een Russisch matroesjka-poppetje, achter elke baas weer een volgende baas blijkt te bevinden. De gebeurtenissen gaan razendsnel: alles bij elkaar in nog geen dag.

Mede daardoor voelt de film aan als een thriller. Formeel gesproken is Margin Call dat natuurlijk niet. De film bevat geen actiescènes, achtervolgingen of vechtpartijen en speelt zich vrijwel volledig af in kantoorruimtes waar zo nu en dan hooguit sprake is van verbaal geweld. Maar aan suspense en intriges geen gebrek, en dat maakt dat de film van meet af aan doortrokken is van een nerveuze spanning. De toeschouwer heeft het gevoel in een snelkookpan te zitten waarvan de temperatuur steeds hoger wordt opgeschroefd.

De voorgaande beschrijving zou de indruk kunnen wekken dat er in Margin Call uitsluitend doortrapte en gewetenloze ‘bad guys’ rondlopen, maar zo eendimensionaal is de film beslist niet. Chandor schetst de financiële wereld weliswaar als een slangenkuil waarin niemand zich een moment van zwakte kan veroorloven, maar de personages worstelen wel degelijk met allerhande gewetensconflicten. En voor de meesten geldt dat ze betrekkelijk machteloos zijn. Het inschatten van het spanningsveld in de financiële wereld is een hele tour de force. Er als individu invloed op uitoefenen, is nog veel moeilijker.


Paul Bettany, die een van de werknemers vertolkt, heeft ter voorbereiding een reeks lange gesprekken gevoerd met bankiers en beurshandelaren. “Van tevoren dacht ik dat ik met kille number crunchers te maken zou krijgen. Maar ze bleken stuk voor stuk ontzettend geestig en creatief te zijn. Het was bijna intimiderend om te merken hoe intelligent die mensen zijn. Sommigen hebben zich laten meezuigen door de verleiding. Die zaten als student met flinke schulden opgescheept en kregen van een bank de kans die razendsnel af te lossen. Maar als ze eenmaal voor zo’n bedrijf werkten, raakte het voornemen om na verloop van tijd iets anders te gaan doen steeds verder uit zicht. Voor je het weet ben je ingekapseld en kun je niet meer terug zonder je comfortabele levensstijl op te moeten geven.”

J.C. Chandor vult aan: “De banken zijn actief bezig getalenteerde studenten in een vroeg stadium van de universiteiten te plukken. Ze werken met scouts. Eigenlijk is het heel treurig dat mensen met zo veel talent alleen maar worden ingezet om geld te verdienen. Stel je eens voor wat ze allemaal voor de maatschappij zouden kunnen be-tekenen als ze die vaardigheden anders zouden gebruiken.”

Kevin Spacey speelt de directe baas van Bettany. Hij wijst erop dat Margin Call niet specifiek gebonden is aan de huidige economsiche crisis. “De thematiek is tijdloos. Er zijn in het verleden wel meer goede films over gemaakt. Neem Save the Tiger, waar Jack Lemmon nog een Oscar voor gewonnen heeft. Dat gaat over een man wiens zaak over de kop gaat en over de emotionele tol die dat eist.”

Wat Spacey betreft draait Margin Call vooral om morele dilemma’s. “Mijn personage wordt verscheurd door tegenstrijdige belangen en loyaliteiten. Hij voelt zich ook een beetje een roepende in de woestijn, want hij heeft al een tijdje gewaarschuwd dat de zeepbel gaat barsten, en niemand luisterde naar hem.”


Voorafgaand aan zijn rol is hij bij mensen in zijn eigen omgeving te rade gegaan. “Ik ken mensen uit de financiële wereld die persoonlijk met zulke dilemma’s te maken hebben gehad. Tijdens die gesprekken betrapte ik mezelf erop dat ik voortdurend bezig was de zaken op een weegschaaltje te leggen. Het is nog niet zo eenvoudig om te concluderen wat wel en niet moreel verantwoord is. Maar dat is nou juist het mooie van acteren. Dat je in andermans schoenen komt te staan en met lastige keuzes wordt geconfronteerd.”

Spacey heeft ook lange gesprekken gevoerd met zijn regisseur. “Want J.C. heeft het scenario deels geschreven op basis van de ervaringen van zijn vader, die veertig jaar op Wall Street heeft gewerkt. En mijn personage is daarop gebaseerd.”

Chandor erkent dat veel scènes aan de realiteit zijn ontleend. Dat geldt onder meer voor de scènes waarin de jonkies in het bedrijf aan de vergadertafel worden gedwongen om de harde conclusies te trekken die hun superieuren niet hardop durven uit te spreken. “Er zit een scène in de film waar de volledige top van het bedrijf naar dezelfde papieren zit te staren. De informatie die daarop staat is een aaneenschakeling van slecht nieuws. Maar niemand wil de brenger van dat slechte nieuws zijn. Want dan loop je het risico als schuldige te worden aangewezen.”

De aan Johan Cruijff ontleende wijsheid dat elk nadeel zijn voordeel heeft, geldt nadrukkelijk voor Margin Call. Chandor realiseerde zich dat hij de film alleen zou kunnen maken met een zeer bescheiden budget. “Daarom zit het scenario zo in elkaar dat de film in principe voor minder dan een miljoen dollar gemaakt zou kunnen worden. Het betekende dat ik de personages als het ware in één ruimte gevangen moest houden.”


De korte tijdspanne en de eenheid van plaats bleken de kracht van het verhaal alleen maar ten goede te komen. “Dat ik binnen strakke grenzen moest werken, was uiteindelijk een voordeel. Het bracht duidelijkheid.”

Dat het budget van de film toch nog opliep tot drie miljoen dollar komt vooral doordat, tot Chandors verbazing, gaandeweg steeds meer grote namen bereid waren zich aan het project te verbinden. Na Spacey en Bettany hapten ook Demi Moore, Stanley Tucci en Simon Baker toe.

De casting van Jeremy Irons was een lastminute-beslissing. Hij werd een week voor aanvang van de opnamen pas gevraagd. Irons stond op het punt om naar Hongarije te vertrekken. “Maar toen me werd verzekerd dat het me maar drie dagen zou kosten, heb ik onmiddellijk toegezegd.”

De opnamen namen in totaal slechts zeventien dagen in beslag. Paul Bettany: “Ongelooflijk. Ik heb meegewerkt aan films waarvan de opnamen vijf maanden geduurd hebben en waarvan het resultaat dan het aanzien nóg niet waard was.”

Dat Chandor zo snel en effectief kon werken, is vooral te danken aan het feit dat negentig procent van de film op de verdieping van één gebouw kon worden opgenomen. “We hadden alles binnen hand-bereik.”

Normaal gesproken is het lastig (of zeer duur) om op korte termijn een groot kantoorpand in het hart van New York te huren. De financiële crisis schoot Chandor echter te hulp.

Grijnzend: “In dit kantoor heeft een hedgefonds gezeten. Maar dat is kort tevoren over de kop gegaan.”

Margin Call. Regie: J.C. Chandor. Vanaf 10 november in de bioscoop.

Erik Spaans