Handwerk

Verbijsterend is het woord dat keer op keer valt in de affaire-Stapel, die jarenlang ongestoord zijn gang heeft kunnen gaan met gefingeerd onderzoek waarbij hij, zoals steeds wordt benadrukt, ‘in zijn eentje opereerde’. Hoe meer ik over deze zaak lees (en ik vind het allemaal buitengewoon intrigerend), hoe minder interessant ik de hoofdpersoon begin te vinden. Oké, Diederik Stapel heeft de boel opgelicht. Hoe het werkt in het hoofd van oplichters is genoegzaam bekend. Het begint met een verkeerde afslag, een klein stapje over de schreef, je past eens een scoreformulier aan in de gewenste richting, en voordat je het weet bevind je je op een helling richting afgrond. Het succes verhindert terugkeer naar het juiste pad. De kleine ‘correcties’ monden uit in regelrechte datamassage, waarna de hele taak van data verzamelen steeds zinlozer wordt. Je weet toch allang hoe het zit? Waarom dan nog die moeite om er bewijs voor te zoeken?

Ik kan me die geestesgesteldheid van Stapel goed voorstellen, sterker nog, voor mij was een lichtelijk blasé (en ongetwijfeld onjuist) gevoel van ‘ik weet al hoe het zit’ destijds een van de redenen om de sociale psychologie als vakgebied te verlaten. Als onderzoeker in de sociale wetenschappen ben je voor een groot deel bezig met het opsporen van voor de hand liggende verbanden. Het kost veel moeite om saaie resultaten netjes boven water te krijgen, laat staan om resultaten te krijgen waar iedereen van opkijkt.

Het is dan ook vooral het aspect van de concrete methoden en technieken die mij interesseert aan de zaak-Stapel. Uit mijn tijd als sociaal-wetenschappelijk onderzoeker en daarvoor als student sociale psychologie herinner ik me niet zozeer wat ik ontdekt heb (dat was ook niet veel soeps), maar des te beter hoe een en ander in zijn werk ging. In de kantine gingen de gesprekken zelden over wát iedereen nu precies aan het onderzoeken was (hypotheses, theoretische kaders), maar altijd over de praktijk. De sociale psychologie drijft op proefpersonen en respondenten, en die vormen vreselijke hobbels in het parcours van een onderzoek.

Als onderzoeker wil je graag wat meer representativiteit dan de geijkte psychologiestudenten die voor een betaling in studiepunten wel komen opdraven als proefpersoon. Je moet ze dus ergens anders vandaan halen, maar waar? Ik zie me nog zitten in het gemeentehuis van Rijnsaterwoude of Ammerstol om steekproeven uit het bevolkingsregister te trekken. Vervolgens moesten mensen worden aan-geschreven en daarna opgebeld om een afspraak te maken. De busreizen naar de provincie! Ik heb op de markt gezeten om enqutes met retourenveloppen uit te delen aan passanten. Ik heb een bejaarden-tehuis lastiggevallen omdat ik oudere respondenten nodig had. Ik moest onderzoeksruimtes reserveren en roosters maken om groepen proefpersonen door de mangel te halen. En dan komen ze weer niet op de afgesproken tijd opdagen of liggen ze anderszins dwars. Voor respondenten moet een geschikte, niet te dure attentie worden verzonnen in ruil voor hun medewerking, en ze moeten allicht een samenvatting van de resultaten thuisgestuurd krijgen. In het dataverzamelingsproces en de correcte afwikkeling daarvan plus administratie gaat ongelooflijk veel tijd en moeite zitten.


No way dat een hoogleraar in mijn herinnering dit nederig handwerk opknapte. Dat is even absurd als het hoofd schoonmaken dat tegen zijn ondergeschikten zegt: “Gaan jullie maar koffiedrinken, dan dweil ik die gangen wel even.” Een hoogleraar superviseert het handwerk. Data verzamelen is vervelend, maar je leert er wel veel van en het is ook spannend om de ruwe data (de ingevulde formulieren) te bekijken. Daarom vind ik het minstens zo verbijsterend dat die promovendi, om maar te zwijgen van de vele co-auteurs van Stapel, het hoofdstuk dataverzameling zonder slag of stoot uit handen hebben gegeven. Dan ben je geen onschuldig slachtoffer meer, dan ben je medeplichtig.