Melodietjes uit een bellenblaas

Het was geen liefde op het eerste gezicht tussen Spinvis en mij. En op het moment dat ik dit schrijf, lijkt die late liefde alweer tanende. Een miezerig zeurend stemmetje, vond ik, en armetierige vaardigheden op de gitaar. En dat beschrijvende proza van zijn teksten, die obligate, neuzelend gebrachte observaties: wat moest ik ermee? Bovendien: saai en energieloos. Tot op een avond, ergens in een theater, al die minnen bij elkaar opgeteld ineens een vette plus werden. Dat was aan het begin van dit jaar. En nu, met het nieuwe album Tot ziens, Justine Keller, is de twijfel weer terug, loert de ergernis weer. Het openingsliedje Oostende zou, muzikaal gezien, zo’n Frans electropophitje van een hijgmeisje kunnen zijn. Leuk natuurlijk, maar dan zwijmel ik liever weg bij Carla Bruni of Charlotte Gainsbourg. Kom terug en We vieren het toch hebben ook dat luchtige karakter: melodietjes uit een bellenblaas. En dan zijn confidenties en beschrijvingen. Dat hij een das, een hoed en een lichtblauw kostuum draagt waarvan hij niet meer wist dat hij ze had. Of dat het al wat laat is en dat de zon al rood is. Het lijkt los zand, maar alles bij elkaar wordt het tóch weer een kasteel. Erik de Jong speelt met woorden als een kind, observeert als een kind en zingt als een kind. En als dat irriteert, is dat waarschijnlijk uit afgunst. Laten we het daar maar op houden. Want, zo zong Jacques Brel ooit, er is heel veel talent voor nodig om ouder te worden zonder volwassen te zijn.

Ruud Meijer