NL100015876878

Texel is behalve het grootste Waddeneiland ook de gemeente met de hoogste schaapdichtheid van Nederland. Hoe komt een levende trui de dag door? En wat is het geheim van haar beroemde wol? Een Texelaar vertelt.

‘Het ruikt hier naar de Waddenzee. Ik zie boven de dijk nog net een spoortje van een regenboog, die in dit herfstige weer gevangen zit tussen regen en zon. Als ik verder naar boven kon kijken, zou ik de regenboog kunnen volgen. Maar dat gaat niet. Mijn nek geeft niet veel mee. Ik maak deel uit van een kudde met driehonderd schapen. Mijn naam is NL100015876878, en die draag ik op een oormerk in elk oor, zoals jullie Kitty’s, Samantha’s en Rochelles hun naam in een gouden ketting om hun hals dragen.

Toeristen die uitstappen bij bushalte ’t Raadsel te Oosterend, kunnen me komen bekijken. Niet dat veel mensen dat doen. De meesten zie ik voorbijlopen of -fietsen en in het voorbijgaan fluks een blik op me werpen. Er is er zelden een die naast me komt staan om mijn gespleten hoeven te bezien en te constateren dat ze eigenlijk best klein zijn voor een beest dat tachtig kilo kan wegen. Ik heb een brede witte kop, met een vrij karakteristiek recht neusbeen. Mijn pikzwarte ogen hebben witte wimpers. En dan is er mijn vacht. Drie kilo potentiële trui die ik op mijn rug en buik kweek. De structuur is fijn en mijn vacht is goed gesloten, zodat ik zowel in warmte als in kou prima op temperatuur blijf en het hele jaar door gras kan eten. Als ik niet graas, wil ik nog weleens met mijn kont in de wind gaan staan, bij voorkeur tegen de Texelse ‘tuunwallen’ aan. Dat zit zo.

Vroeger was dit eiland één groot losloopgebied voor schapen. Vraag maar aan Piet Bakker, die De Texelaar, geschiedenis van een schaap met toekomst schreef en overloopt van historische kennis over dit eiland. De graaf van Holland, weet hij, gebruikte dit gebied als jachtterrein. Schapenboeren mochten het tussentijds gebruiken om hun kuddes op te laten grazen. En dat doen we hier maar al te graag. De harde, oude kern van het eiland ligt vijftien meter boven de zeespiegel en bestaat uit vrij droge grond: ideaal voor ons, schapen, omdat we op deze grond geen leverbotziekte krijgen.


Toen het gebied vrijkwam (na de dood van de graven), deelden de boeren het in bij hun boerderijen. De Texelse boeren zetten hun erven af met muurtjes. En omdat er weinig hout of steen op het eiland te vinden is, gebruikten ze daar plaggen voor. Het gevolg is dat ik hier met mijn kont tegen een monument sta. En mijn boer krijgt daar nog subsidie voor ook. Subsidie betekent inkomen, en dat leidt weer tot brok in onze voederbakken. Schapenbrok is zo zalig dat ik, als ik Herman Barhorst met zijn emmer aan zie komen, op een drafje naar hem toe ga. Het maakt me ook niet uit dat het er gek uitziet. Door mijn korte pootjes hol ik heel houterig, alsof ik het van Pinokkio heb geleerd.

Wat me wel in de weg kan zitten, is het kuddegedrag van de anderen. Gaat er één rennen, dan gaan we allemaal. Nu snap ik best dat dat allemaal een functie heeft en dat we zo, in een rangorde, beter in staat zijn als groep te overleven. Maar het is iets anders als ze me staan te verdringen bij de voederbak. Mij zul je er overigens niet hardop over horen klagen. Wij schapen hebben een gemakkelijk karakter. Dat is een van de redenen waarom wij al vroeg zijn gedomesticeerd.

Sla het meesterwerk Schapen van de volgens de achterflap ‘internationaal bekende auteur van hobbyboeken’ Hans L. Schippers er maar op na. Dan leest u dat de eerste schaapssporen dateren uit 4000 voor Christus en in Duitsland zijn aangetroffen. Daarna volgden Nederland en België.

Zoals we er nu uitzien, zo bestaan we pas sinds de tweede helft van de negentiende eeuw. De destijds lokale pijlstaartschapen werden gekruist met Engelse rassen, zodat wij nog beter geschikt werden om te grazen op het licht glooiende Texelse land.


Wij hebben volgens Schippers voor een doorbraak in de Nederlandse schapenhouderij gezorgd door onze multifunctionaliteit. Ik behoor namelijk tot een dubbeldoelras, dat er is voor vlees én wol. Onze kwaliteit zit in onze bouw. We zijn goed bevleesd en gespierd, en we hebben weinig vet. Bovendien werpen we meerlingen, dus onze kuddes groeien exponentieel, en dat schijnt de boer te bekoren. We brengen namelijk aardig wat op: zo’n 130 euro per schaap.

Het is hier een soort communistisch samenzijn: alles wordt eerlijk verdeeld. Maar de leider, boer Barhorst, is de baas. En zoals bij elk geval van onderdrukking is er altijd wel iemand die in opstand probeert te komen. Ook wij hebben onze eigen Hannie Schaft gekend: Shrek uit Nieuw-Zeeland.

Shrek ontsnapte in 1998 aan de kudde om onder te duiken en het verzet op poten te zetten. Hij heeft het zes jaar uitgehouden. In 2004 werd zijn schuilplaats gevonden: hij woonde in een grot en droeg ruim 27 kilo wol. Ze hebben hem daarna publiekelijk te schande gemaakt door hem live voor de nationale televisie te scheren en zijn wol te doneren aan ‘het goede doel’. Die beelden gingen de wereld over alsof het de laatste minuten van Kadhafi waren. De boodschap kwam wel over: onze Samson verloor zijn haar. Het verzet was gebroken.

Het lijkt me een goed idee dat eens te verfilmen, al zit dat er vast niet in, omdat jullie bang zijn dat we ons door zijn levensverhaal laten inspireren en de revolutie ontketenen. Nee, als jullie ons al in films verwerken, dan is dat in de context van liefde of angst. Neem Everything You Always Wanted to Know About Sex, But Were Afraid to Ask van Woody Allen. Daarin biecht Stavros Milos aan zijn dokter op dat hij onder de Armeense lucht de liefde bedreef met schaap Daisy. Jullie moeten daarom lachen, wij vinden verkrachting minder lollig. Of neem Black Sheep, een Nieuw-Zeelandse horrorfilm met moordlustige schapen. Jullie vinden dat een cultklassieker, wij noemen dat demonisering.


De literatuur gaat beter met ons om. Persoonlijk heb ik erg genoten van Het hele schaap Veronica van Annie M.G. Schmidt. Een alleraardigst boekje op rijm, waarin wij meer menselijke trekken hebben dan gewoonlijk het geval is. Dat boek was tenminste te volgen. Haruki Murakami daarentegen is minder duidelijk. In De jacht op het verloren schaap moet de hoofdpersoon een mysterieus schaap met een ster op zijn vacht zien op te sporen, alleen maar omdat de leider van een sekte daarover droomt. Ik bedoel: het is vast een bijzonder boek, maar wie ziet daar nu de logica van in?

Geef mij dan maar Animal Farm van George Orwell. De schapen daar staan symbool voor de propagandamachine van Stalin, heb ik me laten vertellen. Dat is nog eens inspirerend. Al zou ik zelf nooit in opstand komen. Ik heb het niet slecht, hoor, bij boer Barhorst. Het is een aardige man, die weet waar hij het over heeft. Hij leest trouw vakblad Het Schaap om op de hoogte te blijven van alle ins en outs op schapengebied. Pas is hij met Annette nog op schapenstudiereis geweest naar IJsland. Daar hebben ze schaapsrituelen bekeken van IJslanders die te paard de kudde bijeendrijven. Dat vonden ze indrukwekkend. En hij zorgt ervoor dat we gezond blijven. We zijn pas nog getest. Ik kreeg een touwtje om mijn nek en iemand prikte in een ader in mijn keel om bloed af te tappen en te laten controleren. De uitslag: ‘zwoegervrij’. Dat is mooi, want dat betekent dat ik niet hijgerig, benauwd en mager zal worden.

Twee keer per dag komt boer Barhorst langs in zijn Gator, een lage, groene minitractor met zes wielen en een laadbak, om ons te inspecteren. Loopt een van ons mank, dan ziet hij dat direct en dan snijdt hij in een handomdraai een gespleten hoef bij. Ook kijkt hij of we niet per ongeluk zijn ‘verwenteld’, omgerold. Want als ik op mijn rug lig – en eindelijk de wolken kan tellen – drukken mijn ingewanden op mijn longen en ruggengraat en dan stik ik.


Om ervoor te zorgen dat onze kudde sterk en gezond blijft, kruist Barhorst ons af en toe met een ram uit een andere bloedlijn. De mooiste en sterkste schapen houdt hij achter om mee te fokken. De rest wordt al eerder meegenomen naar het slachthuis.

Dan is nu het moment aangekomen dat ik u uit de droom help: wij worden níet voor onze wol gehouden, maar voor ons vlees. Dat was vroeger anders. Vraagt u maar na bij Yvonne Krijgsman, voorzitter van Stichting Textiel Informatie en Documentatie Centrum. Dan hoort u dat in de jaren zestig en zeventig breien nog heel populair was en tijdens handvaardigheidslessen op school werd gedoceerd. Maar in de jaren tachtig werd het truttig gevonden en raakte breien uit.

Intussen was ook de kunstvezel ontdekt. De Tweede Wereldoorlog had een impuls gegeven aan de ontwikkeling van synthetisch materiaal voor uniformen, tentzeil en parachutes. Daarna bleek het een goedkoop alternatief om kleding van te maken; bovendien vonden mensen het nieuw en modern. De productie van synthetische kleding nam een vlucht. Tel daar het relatief hoge Nederlandse arbeidsloon bij op en u begrijpt meteen waarom de weelderige textielindustrie van Tilburg en Leiden het moeilijk hebben kregen.

Maar mevrouw Krijgsman heeft goed nieuws: breien is weer in! Er komen wolwinkeltjes bij. Zelfs de Hema legt weer breipennen in de schappen. De vraag naar ambachtelijk en authentiek warm en zacht materiaal neemt toe. Dat zorgt natuurlijk voor een direct lijntje naar mij: kwaliteitswol.

Boer Barhorst scheert mij ieder jaar, meestal in juni. Daar heeft hij een handigheidje voor. Hij benadert me schuin van achteren, doodstil, en dan grijpt hij me ineens vast. Hij pakt mijn kop en duwt die naar boven en naar links, waardoor ik op mijn kont kom te zitten. Dan hoor ik het zoemende geluid van het scheerapparaat en scheert hij eerst met rechts de rechterkant van mijn lichaam en daarna met links de linkerkant. Zo doet hij dat met alle schapen in zijn bedrijf. Soms zo’n dertig per dag. Hij zou daarvoor ook een scheerder kunnen inschakelen. Die kan hij net betalen van de opbrengst van die negenhonderd kilo wol. Maar als hij het zelf doet, houdt hij de 1500 euro die dat opbrengt in zijn eigen zak.


Barhorst maakt van de wol ambachtelijke rolletjes die hij aan Texelwool verkoopt. Daar worden er geen truien van gemaakt, maar dekbedden. De Texelse trui bestaat nog wel, maar die is best kostbaar. Er zijn op het eiland nog maar een paar ambachtelijke wolspinners die in hun vrije tijd achter het wiel zitten. Hun gesponnen wol wordt verkocht bij onder andere Texelana, in Den Burg en Oudeschild. 215 gram wol kost daar €20,40. Er gaat ongeveer een kilo in een trui, dus voor honderd euro hebt u genoeg wol. Overigens maken ze van mijn gedroogde huid met een beetje vacht ook pantoffels.

Of ik het erg vind dat ik word gehouden voor mijn vlees en al die bijproducten? Welnee, ik heb het prima. Er is gras. Er is brok. Ik kan acht jaar oud worden, en in die acht jaren hoef ik werkelijk nergens over na te denken. Ieder koppel (zoals een groep schapen genoemd wordt) van twintig schapen heeft zijn eigen hectare grond. Als we die hectare hebben leeggegraasd, worden we vanzelf naar een ander stuk land verhuisd. Boer Barhorst gebruikt 35 hectare. Een gedeelte is van hemzelf, een gedeelte leent hij van buren, die er toch niets mee doen. En hij huurt land. Ook van de kerk, zowel van de doopsgezinde als van de hervormde gemeente. Die bezitten ontzettend veel land op Texel. Door de jaren heen hebben ze dat in handen gekregen, of omdat ze het goedkoop konden kopen – gepachte grond waarvan de eigenaar overleed, was niet heel duur – of omdat het hun werd nagelaten. Ik sta dus niet alleen met mijn kont tegen een monument, ik verblijf ook regelmatig op gewijde grond.

Bovendien kom ik goed aan mijn trekken. Eens per jaar zet boer Barhorst een ram in ons koppel. Die mag zo’n zes weken meegrazen, zodat hij me precies weet te vinden als ik in een bronstige fase zit. Die duurt zo’n zeventien dagen. De ram heeft overigens een bepaald onaantrekkelijk tuigje voor. Daarin zit een kleur verf. Iedere week krijgt hij een andere kleur op de buik, en als hij dan op een van onze ruggen springt, weet de boer wie er in welke week is gepakt en wie er dus in welke week gaat lammeren. Dat scheelt bij het inplannen van de schuurruimte. Als we namelijk na een 147 dagen durende zwangerschap – vijf maanden minus vijf dagen – één tot drie, maar gezien mijn twee spenen liefst een of twee lammetjes op de wereld zetten, moeten we altijd een dag of drie de schuur in. Daar moeten we met de kleintjes in een hokje zitten, zodat we weten welke lammeren bij wie horen.


U vindt het gek dat we dat niet meteen weten? Ja hoor eens, we lijken allemaal erg op elkaar. En u moet me niet kwalijk nemen dat ik nogal suf ben na een bevalling. Als ik ’s nachts beval, is het hier op Texel bovendien pikkedonker, en mijn zicht is in tegenstelling tot mijn gehoor en reukvermogen niet al te best ontwikkeld. Dan maar even op stal. Al kan ik niet wachten tot ik weer naar buiten mag. Naar de wei, waar ik hoor. Waar ik gehuld in mijn trui door weer en wind gras kan verorberen. Tot mijn laatste snik.”

Ivo van Woerden