Protestosteron

Snel, hoe heet jullie premier?” Opgefokt door plankenkoorts schoot de zanger van de Schotse punkband Oi Polloi me aan. Vlak voor het optreden boog zijn rossige hanenkam zich naar me toe. Meteen daarna knalde de naam van de bewindsman door het overvolle kraakpand in een nummer over hoe vis het eerst aan de kop rot. Vlak voor het podium ontstond een mosh pit, zeg maar een overkokende ketel van lichaamsdelen. Schouders, legerschoenhakken en ellebogen klopten op de maat van de muziek een patroon van blauwe plekken in het lichaam van iedere danser. Tijdens mijn puberteit deed ik wat iedereen in een katholieke uniformschool zou moeten doen: ontsporen. De meest nabije subcultuur was straight edge (schreeuwmuziek, veganisme, geen drugs), maar dat was me te sektarisch. De punkers mochten tenminste nog bier drinken, dus ging ik naar hun kraakcafés.

Dat hun engagement zich richtte tegen autoriteit, kapitalisme, dierenleed en de bezettingspolitiek van Israël was me bekend, maar de voortdurende waakzaamheid tegen seksisme verbaasde me. Hoe ruiger de punks eruitzagen, hoe liever ze waren. Soms zelfs pijnlijk overdreven, vergelijkbaar met hoe Europeanen de glimlach en gelukwensen van de Amerikaanse ober ervaren. Ging er een elleboog de verkeerde kant op, dan kwamen daar meteen een heleboel excuses achteraan.

Meisjes in de mosh pit waren dan weer een zeldzaamheid, wat vaak leidde tot discussies of deze vorm van vrijwillige pijniging niet te vrouwonvriendelijk was. En bovendien, mensen met lichamelijke beperkingen waren al helemaal uitgesloten van het door zweet en testosteron ingegeven bevrijdingsritueel. De uitkomst van de vergaderingen hierover is me niet bijgebleven. Net zomin als de slotsom van bijna alle debatten daar. Het struikelen over definities en de holle retoriek deed de gesprekken algauw vastlopen. De plannen van aanpak verlieten de kamers vol gescheurde sofa’s zelden.

Nu ik paar keer op het Amsterdamse Occupy-plein heb rondgestruind, komen de herinneringen aan die tijd terug. Dit zijn weliswaar geen klassieke punks, maar parallellen zijn er zeker te trekken. In navolging van de bezetters op Wall Street hebben toehoorders een paar visuele manieren om hun standpunt over wat een spreker zegt kenbaar te maken. Wapperende handjes in de lucht duiden op instemming, afkeuring toon je met wapperende handjes naar beneden, enzovoort. En jawel, is de spreker seksistisch, dan grijpt het publiek zichzelf in het kruis. Een gebaar dat op racisme of antisemitisme moet wijzen, is blijkbaar niet nodig.

De meeste doelen van de Occupiers, andersglobalisten, punkers of krakers zijn onhaalbaar. Wat zegt dat over de waarschijnlijkheid van een wereld zonder seksisme? Alleen maar een paradoxaal mengsel van strenge straffen en tonnen verdraagzaamheid zullen foute grappen en kontenknijperij doen afnemen. Daar kan geen tentenkamp vol dromen tegenop.

Thomas Blondeau