Rechts geouwehoer

Het had heel interessant kunnen zijn: een rechts-geëngageerde roman. Maar die moet dan wel boeiende personages bevatten, gewaagde inzichten of tenminste een plot. Helaas ontbreken alle drie.

Negers zijn lui, Marokkanen stelen, vrouwen zijn incompetent. Dat vat het wereldbeeld van Peter van Rijswijk, hoofdpersoon van Altijd november, aardig samen. Het moet iets bevrijdends hebben, denken in stereotypen. Lekker overzichtelijk ook. Geen twijfels of vermoeiende nuanceringen, nooit vraagtekens hoeven plaatsen bij je overtuigingen.

We maken kennis met Van Rijswijk tijdens de ver-dediging van zijn proefschrift, een geschiedenis van het Leidsch Dagblad. Al in de eerste zin wenst hij iemand dood, en al vrij snel daarna voel je: dit is niet een man die je graag op feestjes uitnodigt. De rest van het boek is weinig meer dan een eentonige bevestiging van dat vermoeden.

Gerry van der List werkt bij Elsevier. Hij publiceerde een aantal non-fictieboeken, waaronder een geschiedenis van zijn werkgever en een portret van alle 42 Nederlandse premiers. Altijd november is zijn romandebuut.

Rechtse schrijvers, of eigenlijk niet-linkse schrijvers, zijn redelijk zeldzaam. En geëngageerde niet-linkse schrijvers al helemaal. Van der Lists debuut had verfrissend kunnen zijn: een (in ieder geval in fictie) weinig gehoorde kijk op de multiculturele samenleving, gecombineerd met een politiek incorrecte ik-persoon. Of, als je verwachtingen iets minder hoogdravend zijn, een vermakelijke verzameling provocaties van een gefrustreerde blanke Nederlander. Het probleem is dat Peter van Rijswijks observaties zo voorspelbaar zijn dat je aan het denken wordt gezet noch in de lach schiet.

Van Rijswijk verdedigt zijn proefschrift in november 2004, de week na de moord op Theo van Gogh. Daar wordt wat plichtmatig over geklaagd, maar meer ook niet: “Ze hebben veel te veel van die islamieten binnengelaten,” zegt Van Rijswijks moeder. Een paar biertjes na de promotie zitten de hoofdpersoon en zijn vriendin, Ellen, in de auto. Een scène die nogal uit de lucht komt vallen. De relatie is bezig kapot te gaan: Ellen heeft een ander, een Marokkaan nog wel. Peter verklaart dat hij moet kotsen.


In de volgende zin staat hij opeens op Rotterdam Centraal. Kennelijk is er een nieuwe scène begonnen, en is er een tijdsprong gemaakt, maar dat blijkt pas een paar alinea’s later. Een haperende, onhandige overgang, terwijl een simpele witregel of een beschrijvende zin al een beetje duidelijkheid had kunnen bieden.

Ellen verlaat Peter voor Rachid, haar Marokkaanse minnaar. Erg treurig. Of nee, toch niet. Het grijpt je nergens aan – vooral omdat Peters toon even zelfingenomen, berekenend en intolerant is als daarvoor. Hij klaagt, maar de breuk lijkt hem nooit echt te raken. Hij concentreert zich vooral op het voeden van zijn frustratie, en het in voor de hand liggende termen kankeren op alles wat niet uitgesproken Hollands is.

Peters ontevredenheid lijkt meer een gevolg van een sneue persoonlijkheid dan van een hypocriete maatschappij of van de verbroken relatie. Dat had geen probleem hoeven zijn, als je je dan maar tenminste af en toe in die sneue persoonlijkheid had willen verplaatsen. Het lijkt erop dat Van der List zijn doel voorbij is geschoten: als zijn idee was om een onsympathieke, en vaak zelfs onuitstaanbare hoofdpersoon te scheppen, is hij daar zeker in geslaagd – maar Peter is zo onsympathiek dat hij oninteressant wordt, en het kan je weinig schelen wat hem (vaak door zijn eigen schuld) overkomt.

Het is min of meer om dezelfde reden dat de lange reeks provocaties je nauwelijks raakt. Van Rijswijk was een spannend personage geweest als zijn politiek incorrecte observaties enigszins invoelbaar waren, als er iets herkenbaars in had gezeten. Zodat je, bij het lezen van de zoveelste haast xenofobe opmerking, jezelf betrapt op de gedachte: misschien zit er ergens wel iets in. Of: zoiets heb ik ook weleens gedacht, maar ik heb het niet durven uitspreken. Iets wat andere politiek incorrecte schrijvers, of beter gezegd, schrijvers met politiek incorrecte personages – Michel Houellebecq bijvoorbeeld, of Herman Koch – wel voor elkaar krijgen.


Van Rijswijks opvattingen zijn daar simpelweg te dom voor. Te grotesk ook. Toch blijft hij het hele boek door overtuigd van zijn gelijk en van zijn eloquentie. Daar staat hij niet alleen in. Hij krijgt weliswaar tegengas van de vrouwen die, om onbegrijpelijke redenen, op hem vallen, maar hij wordt ook regelmatig gecomplimenteerd als hij even aan het woord is geweest. “Mooi gesproken,” krijgt hij dan te horen. En: “Grappig (-) Te grappig.” Of iets in die trant. Peters veroveringen worden er niet geloofwaardiger van.

Altijd november moet het niet van de personages hebben, en ook niet van gewaagde of interessante politieke inzichten. Een goede plot zou dit nog enigszins kunnen compenseren. Eén probleempje: er is geen plot. Hoogstens een onhandige opeenstapeling van losse scènes.

Tegen het einde overweegt Peter een boek te schrijven, al dan niet gestimuleerd door de adviezen van zijn tijdelijke vriendinnen. “Je moet gewoon dat sarcastische rechtse geouwehoer van je opschrijven,” vindt Peters jonge scharrel. “Dat is best vermakelijk.” ‘Sarcastisch rechts geouwehoer’ is een aardige typering van Van der Lists romandebuut. ‘Best vermakelijk’ niet.

Gerry van der List: Altijd november. Prometheus, €17,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Dries Muus