Was Hermans een nazi?

W.F. Hermans heeft Martin van Amerongen, tot mijn grote verdriet, ooit vergeleken met een beschuitkruimel. Onder het pseudoniem Age Bijkaart schreef Hermans vanuit Parijs in Het Parool: “Probeer maar eens een beschuitkruimel tussen je kaken te krijgen, als je kaken wat groter zijn uitgevallen dan die van een stekelbaars.”

Als Martin van Amerongen een beschuitkruimel is, wat zou de historicus Wim Berkelaar dan zijn, vroeg ik me af na lezing van diens bijdrage in HP/De Tijd van twee weken geleden. Een microbiologisch verschijnsel, een eencellige schimmel.

Berkelaar heeft al langer een hekel aan Hermans. Eerder publiceerde hij over hem in het Historisch Nieuwsblad en op de website Protestant.nl (“Je bent protestanter dan je denkt”). In die publicaties windt Berkelaar zich op over ‘het negativisme’ en de ‘permanente kritiek’ van Hermans. Bij Hermans was het volgens Berkelaar alleen maar ‘het is niet goed of het deugt niet’; zo’n beetje de houding die Berkelaar heeft ten opzichte van zijn onderwerp.

Behalve aan een protestantse website is Berkelaar verbonden aan een protestants documentatiecentrum en schrijft hij voor Trouw en het Nederlands Dagblad. Ik weet niet of Berkelaar zelf een christen is, duidelijk is dat hij in ieder geval affiniteit met die geloofsvorm heeft. Hermans, zoon van een niet-praktiserende protestantse vader, had dat uiteraard niet. “Het godsgeloof is volstrekt absurd,” zei Hermans ooit in een interview.

Nu bekend is dat Hermans zich in 1942 aanmeldde bij de Kultuurkamer – hij was twintig en had één verhaal gepubliceerd – was dat voor Berkelaar aanleiding om de zestien jaar geleden overleden schrijver te excommuniceren.

Het betoog van Berkelaar begint met de merkwaardige bewering dat Hermans anno 2011 lijkt te zijn ‘weggezakt in vergetelheid’. Niemand leest hem nog, aldus Berkelaar. Hoe hij hierbij komt – zelf sla ik Hermans nog geregeld open – blijft onduidelijk; de methode-Stapel is onder historici kennelijk ook aardig ingeburgerd.


Het was Hermans’ biograaf Willem Otterspeer die bekendmaakte dat Hermans in de zomer van 1942 een aanmeldingsformulier naar de Kultuurkamer had gestuurd. Omdat Otterspeer het waagt om hierbij kanttekeningen te plaatsen, zoals het gegeven dat het lidmaatschap nooit werd bekrachtigd, meent Berkelaar dat de biograaf ‘door zijn liefde voor Hermans’ de kwestie die hij nota bene zelf naar buiten heeft gebracht wil goedpraten. Otterspeer had volgens hem moeten onderzoeken ‘of Hermans mogelijk sympathie had voor het nationaal-socialisme’, want dat is namelijk waar Berkelaar hem impliciet van beschuldigt.

Berkelaar neemt het Hermans vooral kwalijk dat hij zich in augustus 1942 aanmeldde omdat nazi-Duitsland op dat moment ‘op het toppunt van zijn macht’ stond. Joden hadden van de Joodse Raad te horen gekregen dat deportaties aanstaande waren; als Amsterdammer had Hermans ‘daar toch iets van opgevangen moeten hebben’.

Net als zoveel van zijn protestante geestverwanten zou Berkelaar een oorlogsheld zijn geweest, want alleen echte helden durven gewetensvol een dode met zijn oorlogsverleden om de oren te slaan. Dan had Hermans maar niet zo onaardig voor anderen moeten zijn. Nu bekend is dat hij een Kultuurkamerformulier heeft ingevuld, had hij hen nooit op zo’n manier de maat mogen nemen. Hermans is een ‘opportunist’, ‘een ordinaire bedrieger’.

En niet alleen Hermans, ook zijn navolgers, waartoe Berkelaar onder meer Theodor Holman en Max Pam rekent. “Waarom toch dat zwijgen van de Hermansianen?” vraagt Berkelaar zich af.

Mij is het ook een raadsel waarom zij geen schuldbekentenis afleggen hun leermeester de facto een oorlogsmisdadiger blijkt. Ze zouden een boekverbranding van Hermans’ oeuvre moeten organiseren. Grafpisser Berkelaar zal vereerd zijn als hij de lucifer af mag strijken.