Bitches met ballen

Het was altijd een mannending: grensverleggende rockmuziek. Maar nu zijn daar aanstormende vrouwelijke acts als Warpaint, Florence + Machine, Laura Marling en St. Vincent. Over de feminisering van de indierock.

James Brown zong het al: “It’s a man’s world, but it wouldn’t be nothing without a woman or a girl.” Brown gaf met dat zinnetje een accurate omschrijving van de rockscene. Saillant detail: de melodie en de titel van dat nummer werden hem aan het begin van de jaren zestig op de achterbank van een limousine ingefluisterd door Sister Betty Jean Newsome, zijn toenmalige verloofde. Brown weigerde haar aanvankelijk een co-auteurschap, maar na enige druk van Clarence ‘Mookie’ Jackson, Newsomes nieuwe, lichtelijk maffiose vriendje, staat haar naam sinds 1967 toch achter Browns signature song vermeld.

Maar hoewel Newsome zich kortstondig ontpopte als James Browns vrouw achter de troon, zou het overdreven zijn om te beweren dat de carrière van the Godfather of Soul niets zou hebben voorgesteld zonder a woman or a girl. Ook zou de ontwikkeling van de popmuziek als kunstvorm – nota bene: een groot deel van die muziek valt onder het lemma ‘amusement’ – niet wezenlijk anders zijn geweest zonder – we noemen maar een paar namen – Janis Joplin, Patti Smith, Nina Hagen, Bonnie Raitt, Melissa Etheridge of Chrissie Hynde. Het zou een groot gemis zijn geweest, dat wel, maar geen verlies van historische waarde.

Wie een lans wil breken voor Joni Mitchell, Kate Bush, PJ Harvey of Laurie Anderson heeft waarschijnlijk een heel klein beetje gelijk. Ook staat het iedereen vrij om die vier namen aan te vullen met een heldin naar eigen keuze. Onze eigen suggestie luidt Annette Peacock. Bedwelmende stem, aanstekelijke dwarsheid, grensverleggend componiste, maar impact, we geven het maar toe, praktisch nul. Knipogend naar de steeds maar uitblijvende doorbraak noemde ze in 1979 haar nieuwe album The Perfect Release. En hoe perfect die plaat ook was: de wereld keek dat jaar de andere kant op en luisterde naar Born to Be Alive van de Patrick Hernandez Revue, een discodans- en showorkest waarin een meisje danste dat Madonna Louise Ciccone heette. Eén schrale troost voor Peacock: geen enkele vrouw genereerde de impact van pakweg Please Please Me, I’m the Walrus of ‘de medley’ van Abbey Road.


“En Madonna dan?” horen we, nu de naam toch is gevallen, iemand verontwaardigd roepen. Het is een terechte vraag, die ons leidt naar de vage scheidslijn tussen kunst en entertainment. Provocatief amusement – dat zou een mooie term zijn om de stiel van het fenomeen Madonna te duiden. En als het oeuvre van Madonna dan toch eigentijdse kunst moet zijn, dan is het wel de kunst van de schaamteloze zelfverheerlijking. Madonna is een zakenvrouw met maar één product: zichzelf. En ja: Lady Gaga is een Madonna in het kwadraat. Beschouw haar, met een knipoog naar Andy Warhol, als een zingend soepblik of, zoals recentelijk tijdens de uitreiking van de MTV Awards, een vliegende schotel, en ze valt toch nog in de categorie popart. Maar muzikaal gezien? Nog geen deuk in een pakje boter.

De denigrerende metafoor van de deuk en het pakje boter gold door de geschiedenis heen helaas, talent of geen talent, voor vele vrouwelijke artiesten. Hoewel The Ingenues uit Chicago in de jaren twintig en dertig over de hele wereld optraden en werden geafficheerd als ‘the greatest attraction of all time’ – waren ze toch voornamelijk een novelty act in sexy kledij, waar een voornamelijk mannelijke clientèle zich aan kwam vergapen. In de roemruchte Ziegfeld Follies-revues presenteerden ze een extravagante show met strijk- en blaasorkesten en twaalf babyvleugels – uiterlijk vertoon met veel veren en kant, dat doet denken aan… juist! Een Madonna- of Lady Gaga-show avant la lettre.

Ook in het interbellum huisden er al vrouwen achter de troon. Lil Hardin was de pianiste en echtgenote van het jazzicoon Louis Armstrong. De Hot Five-opnamen van Louis Armstrong behoren tot de meest bejubelde platen uit de geschiedenis van de populaire muziek, en Lil Hardin zat daar niet alleen achter de piano, maar componeerde ook een van Armstrongs bekendste stukken: Struttin’ with Some Barbecue. Andere nummers van haar hand, zoals Just for a Thrill en Bad Boy, werden gecoverd door Ray Charles, Aretha Franklin en Ringo Starr.


In de jaren zestig werden Goldie & The Gingerbreads als een van de eerste all-female rock bands gecontracteerd door een grote platenmaatschappij, maar blijvende roem bracht het ze niet. En wie herinnert zich nog The Shaggs, een band die door Frank Zappa gekscherend werd bestempeld als better than The Beatles. Hoewel de drie zusjes noch konden zingen (laat staan meerstemmig), noch konden spelen, klonk hun kinderlijke naïviteit zo oprecht dat hun enige album, Philosophy of the World uit 1969, een cult-plaat werd die door The New York Times zelfs tot ‘maybe the best worst rock album ever made’ werd uitgeroepen.

In datzelfde jaar verscheen Clouds van – we noemden haar al – Joni Mitchell, een van de meeste invloedrijke vrouwen uit de geschiedenis van de popmuziek. In de jaren zeventig smeedde zij folk en jazz, de twee Amerikaanse muziektradities die voorafgingen aan de revolutie van de rock-‘n-roll, samen tot één nieuwe muziekstijl die eigenlijk niet meer onder de termen rock of pop valt te vangen. Harmonisch en tekstueel ging Mitchell zo ver dat de door haar verfoeide muziekindustrie bijna dertig jaar nodig had om haar talent te herkennen en omarmen. Toen Turbulent Indigo in 1994 werd onderscheiden met een Grammy was het wat haar betreft te laat. Het beeldje verdween in een vuilniszak.

In het jaar dat Mitchell Turbulent Indigo opnam, bracht Björk het album Debut uit. We hadden haar naam tot dusver slinks weggemoffeld, maar samen met Mitchell is zij wel degene die de nieuwe generatie liet zien dat ook vrouwen een brede, eclectische visie op muziek kunnen hebben. Zangeressen te over met een geweldige strot, van Aretha Franklin tot Amy Winehouse. Vrouwen met de gave om de loop van de muziekgeschiedenis te beïnvloeden, zijn daarentegen altijd schaars geweest. Maar nu borrelt en rommelt het onder de oppervlakte van muziekland van de vrouwelijke creativiteit. Met enige regelmaat, zoals een spuiter in een olieveld, moet die creativiteit eruit en is de wereld weer een hoogwaardige band of plaat rijker.


Zo waren er ineens de Britse Smoke Fairies, de band van Katherine Blamire en Jessica Davies. Na zich bekwaamd te hebben in de basisvaardigheden, werkten ze aan een eigen stijl door hun stemmen in tertsen of kwinten te vervlechten en de op gitaar gespeelde arpeggio’s en riffs als puzzelstukken in elkaar te laten vallen. Door al vanaf de schoolbanken samen te spelen en te zingen vergroeiden ze als het ware tot één muzikant. Aan het begin van het nieuwe millennium verruilden ze de heuvels en de zee van het landelijke Chichester voor de Mississippi-delta van New Orleans, de wieg van de Amerikaanse muziek, waar ze een jaar lang werkten aan een manier om Britse folk en Amerikaanse blues te laten klinken als de perfecte relatie. Through Low Light and Trees was hun laatste proeve van bekwaamheid. Opmerkelijk ook dat de nieuwe generatie vrouwen door de mannelijk bigshots van nu en weleer, in het geval van Smoke Fairies Jack White en Bryan Ferry, met open armen worden ontvangen.

Radiohead, Robert Wyatt, Portishead en Elvis Costello werden diep in de ziel geraakt door Here’s the Tender Coming van The Unthanks, de groep van de Britse zangeressen Becky en Rachel Unthank. The Unthanks transformeren traditionele folk uit Noordoost-Engeland tot tijdloze kunst, waarin het menselijk lijden en de spaarzame momenten van gelukzaligheid in klanken worden gevangen. En ook al schuilt er in de persoon van Adrian McNally een man achter de troon, het zijn de zingende zusjes die de dienst uitmaken.

Verrassend was ook de komst van Warpaint. De ster die deze art-rockband een warm hart toedroeg was John Frusciante, voormalig gitarist van de Red Hot Chili Peppers, en destijds het vriendje van zangeres-gitariste Emily Kokal. Met nummers als Billie Holiday en Krimson (een verwijzing naar King Crimson) maakte Warpaint meteen duidelijk dat we hier niet te maken hebben met zomaar een schattig damesbandje. Op het eerste volledige album gaat de groep nog een stapje verder. Psychedelisch klinkende zangpartijen, magisch in elkaar passende gitaarpatronen, dronkenmansritmes en vervreemdende teksten: alles is net een beetje anders.


Anders is ook EMA, een groepsnaam die bestaat uit de initialen van Erika M. Anderson, een vrouw die samen met Ezra Buchla de noise-folkband Gowns leidde. De elektronica en de computerprogramma’s die de band gebruikte, waren zo experimenteel en kwetsbaar dat het nooit zeker was of Gowns het einde van een optreden wel zou halen. Die onzekerheid, gekoppeld aan spanningen met Buchla, deden Anderson besluiten om voor zichzelf te beginnen. Ze maakte met Past Life Martyred Saints een pijnlijk mooi album, dat de luisteraar achterlaat met blauwe plekken op de ziel.

Krijsen als een getormenteerde martelares doet Florence Welch. Haar band Florence + Machine put inspiratie uit de meer geëxalteerde barokpop die werd gepropageerd door Kate Bush en haar volgelingen. Harpen, tamboerijnen en rommel-de-bommeldrums maakten het debuut Lungs tot het audio-equivalent van een veertienjarig meisje in avond-kleding: mooi en getalenteerd, maar ietwat potsierlijk. Op de opvolger Ceremonials gaat ze nog een stapje verder, terwijl ze eigenlijk een stapje terug had moeten doen.

Bij Laura Marling is het allemaal wat beter in balans. In eerste instantie ontfermde ze zich als singer-songwriter met verve over het erfgoed van illustere voorgangers als Leonard Cohen en Joni Mitchell, maar op haar nieuwe album A Creature I Don’t Know ontwikkelde ze meer een bandgeluid. Van poëtisch (The Muse) tot heftig (The Beast) en alle schakeringen daartussen. Gematigd traditioneel, maar wel een vrouw met een eigen visie.

Als het om visie gaat, maakt Annie Clark alias St. Vincent een verpletterende indruk. Clark is een ongrijpbare vrouw. In het ene interview beweert ze met een strak gezicht dat St. Vincent de tweede naam is van haar betovergrootmoeder en dat het haar leuk leek om die naam bij wijze van eerbetoon als pseudoniem te adopteren. Maar in een ander vraaggesprek zegt ze even stellig dat haar artiestennaam refereert aan Saint Vincent’s Catholic Medical Center, de plaats waar dichter Dylan Thomas in 1953 zijn laatste adem uitblies. “De plaats waar poëzie naartoe gaat om te sterven,” zei ze ooit, en voegde er cryptisch aan toe: “That’s me.” Wij verdenken Clark ervan dat ze haar stage name in ieder interview, louter uit plezier om verwarring te stichten, op een ander manier uitlegt. Want verwarring stichten is wat ze ook in haar muziek doet. St. Vincent is een bitch met ballen die gitaar speelt als een vent. Ze is het protegeetje van Sufjan Stevens, met wie ze toerde, en speelde bij The Polyphonic Spree en Glenn Branca’s 100 Guitar Orchestra, hetgeen verklaart waarom ze vaak in haar eentje klinkt als honderd gitaristen. De openingstrack Now, Now van Marry Me (2007), de eerste klanken die de wereld van haar mocht vernemen, verbijsteren en verwarren nog steeds: I’m the Walrus meets The Carpenters in het huis van Sonic Youth, zoiets. Ongrijpbaar is ze ook in haar teksten. Now, Now begint met “I’m not your mother’s favorite dog/ I’m not the carpet you walk on


/I’m not one small atomic bomb

/I’m not anything at all.” Die laatste constatering is net iets te bescheiden voor een vrouw die slechts drie albums nodig had om te laten horen dat de wereld van de visionaire indierock steeds meer a woman’s world aan het worden is.

Eén schrale troost voor de mannelijke helden van weleer: it wouldn’t be nothing without a man or a boy.

St. Vincent en Laura Marling treden op 18 november op tijdens het Crossing Border Festival in Den Haag.

Ruud Meijer