Een goed gesprek met Henk Krol & Huub Stapel

Het is, na de berichten over een Tilburgse psycholoog die op grote schaal fraudeerde met onderzoeksgegevens, even geen aanbeveling om Stapel te heten.

Acteur Huub Stapel schiet in de lach. “Het was even slikken toen ik op een ochtend de Volkskrant uit de bus viste en de grote kop op de voorpagina las: ‘Aangifte na verbijsterende fraude Stapel’. Bij opkomst van de voorstelling Mannen komen van Mars, Vrouwen van Venus, die ik bijna elke avond speel, begin ik daarom steevast met de mededeling dat de zichzelf hoogleraar noemende Diederik Stapel geen familie van me is.”

Het gesprek vindt plaats in zijn favoriete stamkroeg, Gruter in Amsterdam-Zuid, waar hij al twintig jaar komt om de kranten te lezen. Vandaag zit hij er niet zo best bij. Huub Stapel heeft 39 graden koorts; zijn ogen staan dof, zweet parelt op zijn voorhoofd. “Eigenlijk zou ik in bed moeten liggen, maar ik heb – zolang ik op de planken sta – nog geen avond verstek laten gaan wegens ziekte.”Afgelopen week vestigde je een persoonlijk record door met je succesvolle eenmansvoorstelling twee keer op te treden in een uitverkocht Carré.

“En dat zonder noemenswaardig decor. Het stuk moet het hebben van de herkenbare inhoud: verschillen binnen een relatie. Vooral die tussen de mannelijke en vrouwelijke kijk op het leven. Dat is voor iedereen herkenbaar. Het zorgt voor enorme lachsalvo’s in de zaal.”Hoe vaak heeft je eigen vrouw de voorstelling gezien?”Een keer of zes. Toen het idee ontstond en ik me inlas, heeft ze zelfs het boek gelezen. Na drie pagina’s vloog het boek door de kamer; ze vond het Amerikaanse onzin. Pas toen de inhoud werd omgezet naar de Nederlandse situatie, vond ze het interessant worden.”Hoe lang zijn je vrouw Resie en jij al samen?


“We hebben elkaar leren kennen toen ik nog in Noord-Limburg woonde, nu 38 jaar geleden. Gemakkelijk is het lang niet altijd geweest. Een relatie mag je nooit als iets vanzelfsprekends beschouwen. Je moet er voortdurend aan blijven werken.”Je blijft een trotse Limburger?

“Zeker, tot mijn negentiende heb ik in Tegelen gewoond. André van den Heuvel en Chantal Janzen komen er ook vandaan. Vorige week zag ik Chantal in Wicked. Dan denk ik: das er ein van ós.”Het eten komt op tafel. Uit de kaart, die maar weinig gerechten kent, kozen we een uitsmijter en een Grutersalade met tonijn.Wat heb je van je Limburgse familie meegekregen?

“Vooral het overdreven gevoel voor rechtvaardigheid. Vader en moeder waren spiritueel, muzikaal en hadden interesse voor literatuur. Moeder was eigenlijk onderwijzeres, maar door een speling van het lot kwamen ze in een snoepwinkel terecht. Die kochten mijn ouders in 1953 met een lening van een vriendin. We hadden geen cent te makken, maar hadden altijd veel plezier. Kort voor zijn dood zei vader: ‘Ik ben boven op de berg.’ Dat was zijn manier om aan te geven dat hij de laatste termijn van de lening had afgelost. Drie weken later viel hij om.”Welke levenslessen heb je van je ouders geleerd?

“Dat je elkaar af en toe een aai over de bol moet geven. Mijn vader gaf de jongens vaak een knuffel. Andere vaders zag ik dat nooit doen. Hij wel. Ik doe precies hetzelfde met mijn twee zonen. Zoals de Amerikanen huggen. Voor mij is dat onderdeel van de opvoeding. Laatst vroeg ik ze hoe ze die hadden ervaren. Ze waren vol lof. En of ze dat huggen gek vonden? Nee, juist heel prettig.Toch blijft het kennelijk uitzonderlijk.”Je komt uit een gelovig gezin. Ben je dat nog steeds?


“O nee, niet meer. Mijn ouders werkten hard, maar ze kwamen niet echt verder in het leven. En dat terwijl de kerk vol zat met nietsnutten, dwaaskoppen en kletsmeiers. Juist die hadden aanzien, die mochten op de ereplaatsen voorin zitten. Wij hoorden op de achterste banken. Die idiote machtsverhoudingen hebben me altijd tegengestaan. Daardoor heb ik me snel aan de kerk ontworsteld. Ik werd zelfs rebels.”Wilde je toen al toneelspeler worden?

“Nee, dat kwam pas veel later. Ik zou in het onderwijs. De drang naar het podium komt eigenlijk van mijn vader. Die had als jongen graag naar het conservatorium gewild, maar dat mocht niet van zijn vader. Hij speelde piano, viool en accordeon. Hij vond het prachtig dat ik wél een artistiek beroep koos.”We kennen je van toneel, maar ook van tv en vooral film. Je speelde in ‘De lift’, ‘Flodder’ en ‘Amsterdamned’. In totaal bijna in net zo veel producties als Rijk de Gooyer.

“Zijn overlijden schokte me enorm. Nadat Maarten Spanjer me had verteld dat het met Rijk een aflopende zaak was, wilde ik bij hem op bezoek gaan. Dat is er niet meer van gekomen. Zulke bezoekjes moet je dus nooit uitstellen. Ik heb nog wel contact gehad met Babiche, de kleindochter van Toon Hermans die Rijk de laatste weken heeft verzorgd.”

Is de artiestenwereld er een van vooral oppervlakkige contacten?

“Absoluut. Tijdens een tournee heb je met de collega’s met wie je dan op de planken staat altijd een heel stevig en hecht contact. Je neemt jezelf voor die band te onderhouden. Maar hij verwatert meestal snel, dat is inherent aan ons vak. Het is een nomadenbestaan. Je komt elkaar eigenlijk alleen tegen bij premières. Met studiegenoten van de toneelschool in Maastricht heb ik wel goed contact: Pierre Bokma, Peter Blok, Gijs Scholten van Aschat en Sjoerd Pleijsier.”En niet-artiesten?


“Ik moet dan meteen aan Bart denken, uit Tegelen: een jongen die ken van de middelbare school, de lagere school en zelfs van de kleuterschool. Hem en zijn vrouw zie ik eens in de vier jaar, maar die vriendschap kan niet kapot.”Je zat in Venlo op school. Was dat dezelfde als die waar Geert Wilders zat?

“Ik mag hopen van niet. Wat een stelletje cultuurbarbaren daar bij de PVV. Hun cultuurwoordvoerder haalde het in zijn harsens te zeggen dat Nederland in Rijk een groot toneelspeler had verloren. Ik weet bijna zeker dat Rijk zou willen opstaan uit zijn graf om die man een klap voor zijn kanis te geven. Zoiets wil je helemaal niet horen uit de mond van een PVV’er. Diezelfde ‘cultuurspecialist’ noemde enkele weken geleden het Residentieorkest ‘een stelletje toeteraars’. Dat geeft zijn niveau wel aan. Ziedend word ik dan.

“Überhaupt ben ik boos over de huidige bezuinigingen op cultuur. Cultuur is een onderdeel van de maatschappij dat bijna niks krijgt. Daar haalt Den Haag dan ook nog eens geld weg.

“De politici van tegenwoordig lopen te veel aan de leiband van de Amerikanen. Washington bepaalt waar wij ons geld aan uitgeven. Waarom gaan we wel naar Libië en niet naar Syrië? Het zijn economische belangen die wij niet kunnen doorzien, maar die de regering nooit zal uitleggen. Ik wind me daar mateloos over op.”

Je huidige voorstelling ‘

Mannen komen van Mars, Vrouwen van Venus

‘ is een cabareteskeonemanshow. Als je politiek zo betrokken bent, wordt het dan niet tijd dat je in de voetsporen treedt van Wim Kan?

“Misschien later. Maar ik weet niet of ik de actuele politiek wel op de planken wil hekelen. Daar ben ik te onge-durig voor. Venus/Mars speel ik nog wel een tijdje, en met plezier. Ik hoor weleens dat ik met die voorstelling een nieuw genre heb gecreëerd. Ik praat met de zaal, het publiek mag reageren. Er zijn al tweehonderdduizend kaarten verkocht. Nu zijn er weer meer dan 150 aanvragen van theaters. Over ruim een maand gaat Napoleon, adieu in première, daar sta ik ook in. Daarna komt Mars/Venus weer terug.”Zijn de repetities voor ‘Napoleon, adieu’ al begonnen?


“Twee weken geleden. Komend seizoen is de productie vijf maanden lang overal te zien. Ik mag in de huid van de Fransman kruipen. Dat doe ik op verzoek van Ursul de Geer, die niet alleen regisseur is maar ook een groot Napoleon-kenner. Laurens Spoor schreef voor Ursul een oorspronkelijk stuk over het fascinerende einde van deze bijzondere man, die we allemaal kennen als de keizer.

“Aan Napoleon hebben we veel te danken. Hij was een visionair; democraat wanneer het kon en dictator als het nodig was.”Is een dictator soms nodig dan?

“Als je in de positie zit om beslissingen te nemen, moet je goed luisteren naar wat anderen willen, maar uiteindelijk wordt van je verwacht dat je een knoop doorhakt. Dat moet ik als huisvader weleens. Meestal ben ik van het harmoniemodel, maar ik ben ook ongedurig. Dan neem ik zo nodig de eindbeslissing, maar met de beste bedoelingen.

“Het stuk gaat over zijn laatste zeven jaren, als hij als banneling op Sint-Helena leeft. Een briljante man met ook veel gekte. Je ziet hem langzaam aftakelen.”Wat intrigeert je het meest aan de man Napoleon?

“Daar op Sint-Helena heeft hij een heel jong vriendinnetje, een speelkameraadje. Met belangrijke mensen praat hij over wereldproblemen; daarnaast heeft hij een eenvoudig klein meisje als uitlaatklep.”Nu hij over Napoleon praat, beginnen de ogen van Huub Stapel te glimmen, en dan niet van de koorts. Het zweet is van zijn voorhoofd verdwenen, zijn stem klinkt vurig en enthousiast.

“Ik gebruik boeken en internet om me voor te bereiden. Terwijl mijn zoon me naar de voorstelling rijdt, zit ik met mijn iPad op de achterbank steeds dieper te wroeten in de geest van deze moeilijke man. Toch wordt het een voorstelling met veel humor; drama heeft daar een forse dosis van nodig. In Napoleon kan ik veel van mezelf kwijt. Dat merk ik nu al, terwijl we alleen nog bezig zijn de tekst te leren. Dat is de minst glamoureuze kant van het vak: uren en uren woordjes herkauwen, zinnen stampen. Je hopeloos afvragen: waarom doe ik dit? Waarom vind ik dit leuk?”Vergeet je die teksten na je voorstelling ook weer?


“Nooit helemaal. Er is universitair onderzoek gedaan naar de vraag waarom acteurs teksten kunnen onthouden. Dat komt omdat ze betekenis geven aan woorden. Daar moet je jezelf bewust van worden, en vervolgens uitstralen dat je dat onbewust doet. Doe je het goed, dan luisteren mensen ademloos. Namen en telefoonnummers onthoud ik ook zo. In Mannen komen van Mars vraag ik een paar mensen op de eerste rijen naar hun naam. Gisteren zaten Karel en Irene op de eerste rij, dat weet ik nu nog. Dan zeg ik na ruim een uur ineens: ‘Klopt toch, hè Karel?’ Dan kijkt hij verwonderd, omdat hij dacht dat ik hem allang was vergeten. Je moet leren luisteren in plaats van alleen maar horen. Er zijn mensen die kijken, maar niet zien. Dat verschil is belangrijk.”Er komt ook weer een film?

“De goede dood, het stuk over euthanasie dat we drie jaar geleden deden met onder meer Peter Tuinman, Will van Kralingen en Wilbert Gieske, is net zonder enig budget verfilmd. Dat was ook weer zo’n ingewikkelde tekst die ik al tijden niet meer had uitgesproken. En toch, bij de opnames, daar was hij weer, pats, in één keer. Kennelijk zorgt iets in je hersenen voor die opslag. Zelfs delen van voorstellingen die ik meer dan twintig jaar geleden speelde met Mary Dresselhuys, kunnen me zomaar te binnen schieten. Ik weet nog precies wat ze aanhad, hoe ze eruitzag en wie er meespeelde.”Ondanks je verkoudheid zie je er tevreden uit.

“Dat ben ik ook. Het is me gelukt om te worden wie en wat ik ben. Dat geluk wens ik iedereen toe.”

Gruter is een ouderwets, rommelig buurtcafé aan de Amsterdamse Willemsparkweg. De zaak heeft veel stamgasten; Huub Stapel is een van hen, Theodor Holman ook. ’s Zomers is er een gezellig terras. Op dit moment staat de voorgevel in de steigers. Dat zou ook mogen gebeuren met de keuken en de menukaart. Die zijn nu onvoldoende. De uitsmijter is fantasieloos, de salade saai; de tonijnmoot komt uit de diepvries en is te droog gebakken. Hoewel de sfeer een dikke voldoende verdient, krijgt Gruter voor zijn culinaire prestaties met moeite 4 HP’tjes.