Minister Kwist, een feuilleton (4)

Het was vrijdag. De dag van de ministerraad. Minister Kwist van het kleinste en minst belangrijke departement ging er altijd braaf naar toe, hoewel hij weinig had toe te voegen aan de beraadslagingen. Hij had eigenlijk nooit iets gezegd, behalve dat hij zijn koffie graag dronk met een klein wolkje melk. En hij had een keer een mopje verteld dat hij nog kende uit zijn studententijd. Verder had niemand hem ooit iets gevraagd. Hij vond het altijd een genoeglijk moment in de week. De Trêveszaal vormde een prachtig decor. De stoelen zaten heerlijk. Hij kon lekker wegdommelen. En intussen zat hij toch maar mooi te regeren.

Maar vandaag zou het anders zijn. Er was spanning in de coalitie. En hij vreesde dat hem deze keer wel iets zou worden gevraagd. Na zijn ongelukkige optreden bij Pauw & Witteman van de avond ervoor had de premier hem een sms gestuurd om hem duidelijk te maken dat hij iets had uit te leggen. Hopelijk waren de spanningen in de coalitie zo groot dat de premier dat was vergeten.
De premier begroette hem opgewekt. “Ernest! Onze dasloze minister. Het boegbeeld van de hervormingsagenda van ons team.” Iedereen begon te lachen. “Volgens mij zat je gewoon in de rats omdat je een das van je minnares had gekregen, maar die durfde je niet om te doen omdat je bang was dat je vrouw je zou zien op televisie.” De ministerploeg schaterde. Dit was die geroemde goede sfeer in de coalitie. Typisch Mark. Even een grapje aan het begin van de ministerraad om het ijs te breken. “Zij is mijn minnares niet,” wilde Kwist zeggen. “En wat weet jij trouwens van vrouwen en minnaressen, Mark?” Maar hij hield wijselijk zijn mond. “Over televisie gesproken,” zei de premier, “die uitglijder bij Pauw & Witteman gisteravond zij je vergeven. Geert vond het prachtig. Dat uitgerekend een CDA-bewindsman zoiets durft te zeggen over moslims. En wat Geert prachtig vindt, vinden wij allemaal prachtig. En bovendien kunnen we zijn goede humeur goed gebruiken bij deze netelige kwestie.”
De netelige kwestie betrof een geval dat Kwist al lang had zien aankomen. Een jonge Angolese asielzoeker moest volgens de regels het land uit worden gezet, maar hij was een aaibaar negertje dat schattig Limburgs praatte en nu zat collega Leers in de problemen, want Geert gaf hem geen ruimte om een uitzondering te maken terwijl zijn CDA-achterban daarom smeekte. Bovendien stond de parlementaire meerderheid op het spel vanwege die twee verdomde dissidenten. Leers bekende dat hij dat jongetje het liefst eigenlijk een verblijfsvergunning zou willen geven. Daarop was de beer los. Verhagen schuimde van woede. “De wil van Wilders is wet,” schreeuwde hij. “We gaan de regering niet laten vallen om één zo’n – één zo’n –” Hij hapte naar adem. “Jongen.’ Leers zat er steeds ongelukkiger bij. Hij keek wanhopig rond. Hij zocht een bliksemafleider. “Wat vind jij er eigenlijk van, Ernest?”
Iedereen keek hem gespannen aan. Kwist slikte. “Nou,” zei hij, “wat ik ervan vind. Laat ik het zo zeggen.” Niet stamelen. Ferme woorden spreken. “Over televisie gesproken. Daar weet ik nu alles van.” De premier glimlachte. “Van de televisie win je het nooit. Nu dat lieve zwarte jongetje in beeld is gekomen, is hij de nationale knuffeluitgeprocedeerde. In de publieke opinie valt voor ons meer te winnen door ons menselijk gezicht te tonen dan door consequent te zijn. We moeten dat gewoon pragmatisch onder ogen zien.”
Hij schrok er zelf van dat hij een standpunt had ingenomen. Verhagen stond woedend op. “Ga jij dat dan maar uitleggen aan Geert.” Hij sloeg de deur van de Trêveszaal achter zich dicht.
“Dat zal ik doen,” zei Kwist zacht.

Klik hier voor alle afleveringen van Minister Kwist, een feuilleton.

niek stolker