Minister Kwist, een feuilleton (5)

En zo werd Ernest Kwist ruim een jaar na zijn aantreden als minister van het kleinste en minst belangrijke departement van het kabinet-Rutte I, in alle stilte, zonder daar enige ruchtbaarheid aan te geven en zonder dat iemand het doorhad, de redder van de coalitie. Niet dat dat zijn bedoeling was geweest. Of beter gezegd, uiteraard was dat wel zijn bedoeling en bovendien de expliciete opdracht die hij van zijn partijleider Verhagen had meegekregen, maar hij had zelf geen moment geloofd in de goede afloop. Het was eigenlijk per ongeluk gegaan.

Direct na de ministerraad was hij naar zijn departement gegaan om Geert Wilders te bellen. Maar toen besefte hij dat hij diens nummer helemaal niet had. Hij belde Maxime Verhagen. Die kende het uit zijn hoofd. Kwist en Wilders spraken af op een geheime locatie in Den Haag. “En waar is die dan, die geheime locatie?” vroeg Kwist. “Gewoon, de gebruikelijke geheime locatie. Waar ik altijd afspreek. Weet je niet eens waar die is? Iedereen weet het.”
Het bleek te gaan om Café de Posthoorn op het Voorhout. Wilders had een beveiliger meegenomen om de bitterballen voor te proeven. Het was een taak waarvan de man zich met verve kweet. En aan zijn postuur te zien had hij ook geruime ervaring. “Dat is Wim,” zei Wilders. “Hij wordt de nieuwe wethouder van veiligheid in Almere. Ik heb trouwens genoten van je optreden bij Pauw & Witteman. Goed om te horen dat er een CDA-bewindsman is die niet bang is om de waarheid te zeggen over de moslims.” Kwist wou uitleggen dat hij zich eigenlijk had versproken, maar hij herinnerde zich dat hij hier was om te onderhandelen. “Dus je bent hier om te onderhandelen,” zei Wilders. “Het gaat om die jongen uit Angola. Mijn positie is helder. Hij moet het land uit. En ik wil weten of jouw CDA nog steeds een partij is waarmee ik zaken kan doen. Want ik eis dat de hele coalitie, inclusief het CDA, ook in dit geval mijn standpunt overneemt. Snap je dat?” Kwist knikte. “En wat zet jij daar namens het CDA tegenover in deze onderhandeling?”
Kwist dacht na. Hij voelde zich misselijk. Misschien waren het de bitterballen. Hij begon te twijfelen aan Wims kwaliteiten als voorproever. “Dan ligt de zaak dus eigenlijk heel simpel,” zei hij. Niet dat hij dat vond, hij zei het meer tegen zichzelf om zijn gedachten te ordenen. “Die jongen moet het land uit. Voor jou is een andere uitkomst onacceptabel. Tegelijkertijd is diezelfde uitkomst onacceptabel voor de achterban van mijn partij en voor die twee aandachtzoekers van dissidenten.” Wilders moest glimlachen om het woord aandachtzoekers. “Zij eisen dat die jongen mag blijven. Dus…” Hij liep vast in zijn eigen redenering. “Dus wat?” vroeg Wilders. “Dus,” zei Kwist wanhopig, “dus zoeken we naar een oplossing waarbij hij zowel het land uit moet als kan blijven.” Wilders keek hem verbijsterd aan. “En hoe wou je dat voor elkaar krijgen, Ernest Kwist?” Kwist glimlachte. “Wonderen zijn de specialiteit van het CDA,” zei hij. “Dat is waar onze C voor staat.” Wilders sloeg hem schaterend op de schouder. “Ik mag jou wel, Ernest.”
En diezelfde avond nog werkte hij op zijn departement de constructie uit waarmee alle partijen konden leven, die een aantal dagen later zou worden aangenomen in de Tweede Kamer en die de redding zou blijken van de coalitie. Die jongen kreeg geen verblijfsvergunning, dus hij moest het land uit, maar hij kon wel een studievisum aanvragen, dus hij mocht ook blijven.
Toen hij ’s avonds laat thuiskwam, was hij nog steeds misselijk.
“Hoe was je dag, poesje?” vroeg zijn vrouw.
“Ik denk dat ik moet overgeven.”

Klik hier voor alle afleveringen van Minister Kwist, een feuilleton.

lja leonard pfeijffer