Syrië: ingrijpen of niet?

De Arabische Liga heeft het Syrische regime drie dagen de tijd gegeven om het geweld tegen de eigen bevolking te staken. Anders volgen er economische sancties. Of het Syrische regime zich aan de oproep van de Arabische Liga gaat houden? Nee, natuurlijk niet. Wat moet de internationale gemeenschap nu: ingrijpen of juist niet?

Al zou president Bashar al-Assad het willen, dan nog zou hij het geweld niet binnen een handomdraai kunnen stoppen. De burgeroorlog, waar iedereen zo bang voor is, is in wezen al lang begonnen. Zeker in brandhaard Homs, waar voor niemand meer duidelijk is wie op wie schiet. Militairen versus gedeserteerde militairen versus gewapende burgers – de situatie is totaal onoverzichtelijk.

Eerder deze maand stemde Assad in met een vredesplan van de Arabische Liga: hij zou zijn militairen terugtrekken uit de steden en internationale waarnemers toelaten. Heeft hij zich daaraan gehouden? Nee, natuurlijk niet. Een dag na aanvaarding van het plan vielen opnieuw tientallen doden. Wel liet Assad, als blijk van goede wil, zo’n 1200 gevangenen vrij.

Na acht maanden van aanhoudend geweld is het tijd voor Assad om af te treden. Dat weet hij zelf ook – de man is dom, noch blind – maar voorlopig houdt hij halsstarrig vast aan zijn titel. In Syrië klinkt op straat inmiddels de kreet om hem te executeren. Dan zijn we van Assad af, maar nog niet van het probleem. De almaar toenemende haat tussen de verschillende geloofsgroepen en de voor – en tegenstanders van het regime zal niet opeens in de nevelen verdwijnen als Assad de benen heeft genomen. Er zullen hoe dan ook nog honderden, dan wel duizenden doden gaan vallen komende maanden.

Wat moet er nu gebeuren? Vanuit de demonstranten in Syrië klinkt steeds meer de roep voor het oprichten van een bufferzone, waar gedeserteerde militairen en burgers een veilig heenkomen kunnen vinden. Fantastisch idee, zo’n bufferzone, maar no way dat Assad dat zal accepteren.

Militair ingrijpen dan maar, zoals in Libië is gebeurd? Absoluut uitgesloten, volgens secretaris-generaal van de NAVO Anders Fogh Rasmussen. De omstandigheden in Syrië, zo verklaarde Rasmussen, zijn niet te vergelijken met de omstandigheden in Libië. Goh.

Een Syrische kennis, die al zes jaar in Nederland woont, zei gisteren tegen me: “We praten regelmatig met Nederlandse politici. Ze zijn heel erg geïnteresseerd in ons, in wat we willen en in hoe de situatie is. Maar we willen nu ook wel wat terug zien.” Als het aan deze kennis ligt, zou Nederland het eerste Europese land zijn dat de Syrische Nationale Raad als officiële overgangsraad erkent, zoals tot nu toe alleen nog Libië en Tunesië hebben gedaan.

Niet dat dat het probleem zou oplossen, maar het zou in ieder geval ons schuldgevoel voor een deel wegnemen. Syrië is een moreel dilemma geworden: in zo’n situatie telt alleen nog symboolpolitiek.

irene de zwaan