Utrechts hoop

Alles gaat altijd door, behalve als het even niet meer doorgaat.

Soms fiets ik over de Rembrandtkade in Utrecht. Daar, in die lommerrijke buurt bij het Wilhelminapark, ligt revalidatiekliniek De Hoogstraat. “Gastvrij zijn, luisteren, aansluiten,” staat er op hun site.

Daar, achter een van die ramen, ligt Mihai Nesu. Sinds ik dat weet, denk ik altijd even aan hem als ik over de Rembrandtkade fiets.

Een halfjaar geleden was Nesu nog de vaste linksback van de plaatselijke FC. Hij was een betrouwbare, gedegen eredivisievoetballer. Een vaste waarde. Vier wedstrijden in het geel van de nationale ploeg van Roemenië waren het hoogtepunt in een loopbaan zonder verdere bijzonderheden.

Tot die fatale ochtend in mei.

Collega-verdediger Alje Schut viel in een onschuldig duel om de bal boven op hem. Het was meteen mis. De Roemeen brak bij die botsing een nekwervel.

Dwarslaesie.

Van topsporter naar invalide in een fractie van een seconde.

Twee dagen bevond hij zich in het schemergebied tussen leven en dood. Het leven overwon, maar het bleek een pyrrusoverwinning. Sinds die ochtend in mei, op het trainingsveld in de schaduw van de Galgenwaard, heeft hij niet meer gelopen.

Lang bleef het stil rond Mihai Nesu. Hij kon het niet aan om de pers te ontvangen, die hij uitsluitend nog als voormalig voetballer te woord zou kunnen staan. Eén interview stond hij toe, aan de Roemeense krant Gazeta Sporturilor. Hierna, zo kondigde hij aan, zou hij voor altijd zwijgen. In het vraaggesprek sprak hij eerlijk over zijn dagelijkse strijd voor minimale vooruitgang.

Slechts zijn hoofd en rechterarm functioneerden nog. Het enige wat hij kon, was rijden in een rolstoel. Douchewater voelde hij alleen aan de rechterhelft van zijn lichaam. Elke dag een gewicht als van drie tractoren dat op hem drukte.


Hij vertelde ook over zijn dromen: “Als ik slaap, droom ik dat ik weer loop. Veel mensen dromen over vliegen, maar mijn onderbewustzijn heeft zich aangepast: ik droom alleen nog over lopen.”

Verdriet in voetballend Utrecht is niets nieuws. De Galgenwaard trekt het ongeluk aan als een magneet. Enkele jaren geleden speelt de Fransman David di Tommaso in de verdediging. Een idool van de supporters, een voorbeeld voor zijn medespelers. Op 27 november 2006 leidt hij zijn ploeg naar een zege op het in de Domstad zo gehate Ajax.

Maandag vieren hij en zijn ploegmaats de zege.

Dinsdag wordt hij niet meer wakker.

De club neemt op indrukwekkende wijze afscheid van haar sterspeler. Een uitverkocht stadion zwijgt. Rouwbanden, toespraken. Later in het jaar volgt een Memorial Match, en een Di Tommaso-trofee.

Ook Henny van Schoonhoven leeft niet meer. De Utrechtse voorstopper speelt eind jaren negentig één seizoen voor de club van zijn dromen. Hij wordt al snel een held van de supporters, die hem de bijnaam ‘de Tank’ geven.

Nauwelijks tien jaar later keert hij terug in het stadion. Zíjn stadion. Niet als speler maar als eregast. Van Schoonhoven heeft ongeneeslijke kanker. Zijn aanwezigheid in de ereloge tijdens FC Utrecht-Sparta is een vaarwel: dertien dagen later sterft hij.

Sinds deze zomer heeft FC Utrecht een nieuwe linksback. Ook Alje Schut voetbalt weer, ondanks het verterende schuldgevoel waarmee De Botsing hem heeft belast. Alles gaat door. Zelfs Mihai Nesu kijkt weer vooruit. “Hier is alles mogelijk,” zegt hij in het interview. “Kasplantjes kunnen het tot bankdirecteur schoppen.”

Alles gaat altijd door, behalve als het even niet meer doorgaat. Vorige week won FC Utrecht met 6-4 van Ajax. Het was de eerste keer dat Nesu weer in de Galgenwaard was. Het elftal werd pas kort van tevoren op de hoogte gesteld, om vervolgens boven zichzelf uit te stijgen. In Utrecht doet hoop nog steeds leven. Ondanks alles.