Hoe Bernhard ontsnapte

Het wereldwijde omkoopschandaal rond de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed bracht midden jaren zeventig ook prins Bernhard in opspraak. Het Lockheed-schandaal beschrijft hoe de prins de dans ontsprong, terwijl andere betrokkenen zware straffen kregen.

Er zaten vijf maanden tussen de eerste signalen over Bernhards mogelijk corrupte gedrag in-zake Lockheed en het besluit van minister-president Joop den Uyl (PvdA) om de Commissie van Drie te installeren. De benoeming van de drie zogenaamde ‘wijze mannen’, mr. André Donner, rechter bij het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, dr. Marius. Holtrop, oud-president van De Nederlandsche Bank en drs. Harry Peschar, voorzitter van de Algemene Rekenkamer – stuk voor stuk zwaargewichten – liet zien dat het de regering ernst was met het onderzoek. De commissie werd op vrijdag 13 februari 1976 door de premier geïnstalleerd en begon direct met haar werkzaamheden.

Dat de inhoud en presentatie van het rapport van de Commissie van Drie vooraf met Den Uyl zijn besproken, ligt voor de hand, maar voor het antwoord op de vraag of deze ‘onafhankelijke commissie’ minder vrij in haar onderzoek is geweest, of liever gezegd in de presentatie daarvan, moeten we geduld hebben tot 2050. Dan pas gaat inventarisnummer 12529 van het geheime archief-Donner open met daarin de ‘Stukken betreffende de finalisering van het rapport en de voorbereiding van daaraan te verbinden gevolgen’. In ieder geval kan worden geconstateerd dat het kabinet-Den Uyl – al dan niet in nauw overleg met de Commissie van Drie – tot het oordeel kwam dat ‘Z.K.H., in de overtuiging dat zijn positie onaantastbaar en zijn oordeel niet te beïnvloeden was, zich aanvankelijk veel te lichtvaardig heeft begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten. Vervolgens heeft hij zich toegankelijk getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen. Ten slotte heeft hij zich laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren en die hemzelf en het Nederlandse aanschaffingsbeleid bij Lockheed – en, zo moet er thans aan worden toegevoegd, ook bij anderen – in een bedenkelijk daglicht moesten stellen.’


Voorts stelde Den Uyl in zijn brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 1976 dat de regering tot de conclusie was gekomen dat de handelwijze van Z.K.H. ‘het belang van de staat had geschaad’ en dat daaraan het gevolg diende te worden verbonden ‘dat de Prins terugtreedt uit al die posities die tot een verwarring van functies en belangen hebben geleid of zouden kunnen leiden’.

Hij kreeg eervol ontslag als Inspecteur-Generaal van de drie krijgsmachtonderdelen, en zijn functies in het bedrijfsleven, veelal commissariaten (onder andere bij de KLM) moest hij opgeven. Ook sprak Den Uyl de wens uit dat hij zich niet langer in het openbaar in uniform zou vertonen; een officieuze wens weliswaar, maar wel een die de prins diep raakte. Dit laatste was dus geen formeel verbod. Minister van Justitie en vicepremier Dries van Agt (KVP) had dat te ‘denigrerend’ en ‘beledigend’ gevonden. En stel dat de prins het verbod had genegeerd, wat moest je dan doen als minister? Wat kon je doen?

De minister-president was bang dat de krijgsmacht, die de prins op handen droeg, een loyaliteitsverklaring jegens Bernhard zou afleggen. Minister van Defensie Henk Vredeling (PvdA) vond net als Den Uyl dat dat inderdaad een risico inhield. Hij liet de bevelhebbers daarom gezamenlijk naar de rede van Den Uyl in de Tweede Kamer luisteren. Ze mochten niet de kans en de tijd krijgen onder elkaar iets af te spreken. Meteen na afloop van Den Uyls speech had hij de bevelhebbers gevraagd of ‘zo iemand nog het uniform van de krijgsmacht zou mogen dragen’. Vredeling had toen benadrukt dat hijzelf vond van niet. “Ze zwegen, spraken me dus niet tegen en waren dus unaniem akkoord.”


Op 20 augustus 1976 had het kabinet over het rapport vergaderd, dat voor de gelegenheid door Den Uyl was uitgedeeld. Het voorstel om de prins zijn uniform af te pakken kwam van Henk Vredeling. Toen hij zijn voorstel had gedaan, viel het hele kabinet stil totdat De Gaay Fortman (Binnenlandse Zaken, ARP) zei: “De collega heeft gelijk.” Vredeling was allerminst een vriend of bewonderaar van de prins. Integendeel. Hij vond hem vaak ‘oppervlakkig’, ‘inhoudsloos’, ‘branieachtig’ en hij had hem ook weleens een ‘blaaskaak’ genoemd, vertelde hij in een interview. En over Z.K.H.’s roemruchte verzetsverleden: “Hij heeft nooit iets verzet, (-) helemaal niks verzet.” De prins had hem ook verteld over vrouwen met wie hij naar bed was geweest, een onderwerp dat aan Henk Vredeling niet was besteed: “Platte praat,” en: “Dat doe je niet.” Maar het ergste vond hij dat Bernhard hem als minister van Defensie in contact had gebracht met president-directeur Tom Jones van Northrop in de tijd dat de Cobra aan de man moest worden gebracht, het vliegtuig waarop hij volgens Vredeling zo ‘verkikkerd’ was. Vredeling had dat vervelend gevonden omdat Bernhard ‘geen functie had om mij te gaan zitten adviseren’. En bovendien: als naar buiten was gekomen dat hij met Bernhard en Jones had gesproken over de Cobra, dan had ook op hem de verdenking kunnen vallen van corruptie. Vredeling noemde het gedrag van de prins daarom ‘onverantwoord’.

Staatssecretaris Marcel van Dam (Volkshuisvesting, PvdA) lag dwars. Hij vond dat de prins er te gemakkelijk van af kwam en schreef zijn ontslagbrief, waarin hij uitlegde waarom hij de maatregelen onvoldoende vond. Hij ergerde zich gruwelijk aan ‘mensen die nu zeggen dat de Prins in een wereld leefde waar de verleidingen zo groot waren en dat we daarom begrip moeten hebben’. En de verleiding van de burger dan om zijn belastingformulier niet helemaal correct in te vullen? Geen btw te betalen? Sociale premies te ontduiken? Een uitkering op te strijken waarop hij geen recht had? Als aan die verleidingen werd toegegeven, werden de fundamenten van ‘een rechtvaardige samenleving’ aangetast. Als bijvoorbeeld de directeur van de Rijksgebouwendienst ‘hetzelfde zou flikken’, dan zou hij niet alleen direct worden ontslagen, maar ook naar de gevangenis zijn gestuurd. “En de echtgenoot van het staatshoofd komt er zo mee weg? Dat kan niet.” Dat alles leidde tot de conclusie – nu het kabinet ook al had afgezien van een gerechtelijke vervolging van de prins – dat Bernhard zo veel mogelijk moest terugtreden uit het ‘openbare leven en niet alleen uit een aantal posities die tot verwarring van functies en belangen hebben geleid.’


Den Uyl zocht Van Dam thuis op om hem te bepraten, wat na veel inspanning diep in de nacht gelukte. Toch was hij onder de indruk geweest van Van Dams argumenten. Zozeer zelfs, dat hij hem vroeg of hij de brief aan koningin Juliana mocht laten lezen, wat ook inderdaad is gebeurd.

Over de visie van koningin Juliana op de affaire is weinig bekend (ik heb althans geen persoonlijke uitspraken kunnen vinden), maar zeker lijkt wel dat ze met de zaak in haar maag heeft gezeten. Vredeling meende dat ze een tijdlang had gehoopt dat het geen omkoping hoefde te zijn waarvan haar man werd verdacht. Een kwestie van definitie van het begrip, en de ministers vonden het lastig om het haar ronduit te vertellen.

Vredeling had ook de taak Bernhard te vertellen dat zijn optreden in uniform niet langer door het kabinet werd gewaardeerd. Na er eerst met de koningin over te hebben gesproken, begaf de minister zich naar de kamer van Z.K.H., maar hij werd tot zijn verbazing gevolgd door de koningin. Bernhard had haar aanwezigheid echter niet kunnen waarderen en haar weggestuurd met de woorden dan hij het zelf wel af kon met de minister.

Een vriendin van de koningin, mevrouw M. de Kanter, heeft verteld dat Juliana haar man gewoon in de gevangenis zou hebben opgezocht. De koningin had een solidariteit ten opzichte van haar echtgenoot die er omgekeerd beslist niet was. Minister van Sociale Zaken Jaap Boersma (ARP) zei dat Juliana met aftreden had gedreigd als haar man zou worden vervolgd. Iedereen was het erover eens dat de koningin een absolute solidariteit ten opzichte van haar man uitdroeg. En juist daarin school het gevaar van een constitutionele crisis.


Van een strafrechtelijk onderzoek zou het, zoals gezegd, met grote instemming van de Kamer nooit komen. Binnen de ministerraad vonden ook Bernhards meest kritische opponenten als Vredeling, Boersma en Hans Gruijters – D66’er, verklaard republikein en minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer – strafrechtelijke vervolging onhaalbaar. Gruijters had ‘weliswaar een aversie tegen het Koninklijk Huis’, maar het leek hem beter daaraan niet toe te geven. “Wat wordt het volk hier beter van als we hier een punt van maken, dacht ik.”

Gruijters zei voorts ‘met een gevoel van walging’ het rapport van Donner te hebben gelezen en zich als Nederlander ‘bepaald beschadigd’ te voelen. Overigens was de meest gehoorde term tijdens de ministerraadvergadering ‘geschokt’. De confessionele ministers reageerden vooral ingetogen. In ieder geval moest de voortzetting van het koningschap door Juliana uitgangspunt van de regeringsverklaring zijn en dat mocht niet in gevaar worden gebracht door maatregelen van het kabinet waarmee de koningin het niet eens was.

Boersma en Vredeling hadden persoonlijk de strafrechtelijke vervolging graag door willen zetten. Boersma:

“Maar niemand had zin in dat verhaal met de koningin. Dat vonden we ook te veel eer voor de prins. Dat verhaal met de koningin was ook het argument van Joop den Uyl om geen strafrechtvervolging in te stellen en zo een monarchale crisis te voorkomen. Dat begreep ik ook wel weer van hem uit bezien.”

Van Vredeling had de prins voor de rest van zijn leven in het gevang mogen zitten, maar in dat geval zou Juliana vermoedelijk op een koningscrisis hebben aangestuurd. De dreiging dat ze zou aftreden, achtte hij zeer reëel. Vredeling kon er niet bij: “Die Juliana bleef achter hem staan, terwijl hij haar met wijven besodemieterde, ik begrijp die hele Juliana niet, hoor.”


Bernhards hierboven geventileerde opvatting dat een aantal PvdA-ministers hem achter de tralies hadden willen zetten, is niet helemaal waar. Een minister als Vredeling had het wel gewild, maar ook hij realiseerde zich dat de politieke situatie het eenvoudigweg niet toeliet en bond in.

Eén intrigerende vraag bleef voor zover valt na te gaan volledig achterwege: het dreigement van kroonprinses Beatrix om haar moeder niet op te volgen als haar vader als straf in de gevangenis zou verdwijnen. Was dat een serieus dreigement of heeft ze geprobeerd de discussie en daarmee het politieke proces te beïnvloeden? In ieder geval was het een trefzeker dreigement, want ook prinses Beatrix wist natuurlijk dat Den Uyl en vrijwel alle politieke partijen niet op een constitutionele crisis zaten te wachten.

Dat de kwestie gevoelig lag merkte ook Marcel Enkelaar, redacteur bij de Wereldomroep en de Gooi- en Eemlander. Hij bracht het bericht naar buiten dat Beatrix dreigde de troon niet te bestijgen, wanneer haar vader strafrechtelijk zou worden vervolgd. Het leidde bijna tot zijn ontslag, waaraan het feit dat de prins beschermheer van de Wereldomroep was niet vreemd zal zijn geweest. Prinses Irene was de feitelijke bron van het bericht geweest.

Bernhards eigen reactie op het Rapport-Donner heeft Den Uyl in de Tweede Kamer voorgelezen: “Het rapport van de Commissie van Drie heeft mij ervan overtuigd dat in mijn jarenlange vriendschappelijke relatie met enkele hooggeplaatste functionarissen van Lockheed mijn betrekkingen met Lockheed zich verkeerd hebben ontwikkeld. In het bijzonder heb ik daarbij niet die zorgvuldigheid in acht genomen, die op grond van mijn kwetsbare positie als echtgenoot van de Koningin en als Prins der Nederlanden vereist is. Ik erken dit en betuig hierover mijn oprechte spijt. Ik heb initiatieven, die mij werden voorgelegd, niet voldoende kritisch beoordeeld. Ik heb brieven geschreven, die ik niet had mogen verzenden. Ik aanvaard hiervoor de volle verantwoordelijkheid en dus de afkeuring, die de Commissie daarover in haar rapport uitspreekt. Ik heb kennisgenomen van het standpunt dat de Regering inzake mijn gedragingen heeft bepaald. Ik aanvaard de consequenties en zal de functies, die in dat verband zijn genoemd, neerleggen. Ik hoop de gelegenheid te behouden het land te dienen en mede daardoor het vertrouwen in mij te herstellen.”


Gezien de stemming in de volks-vertegenwoordiging was het geen wonder dat een voorstel om een parlementaire enqute te houden teneinde meer duidelijkheid te krijgen rond de gang van zaken bij vliegtuig- en wapenaankopen, waarmee enorme bedragen aan belastinggeld waren gemoeid, het niet haalde. Het voorstel was medio 1976 ingediend door drie Kamerleden uit respectievelijk de PvdA, de Politieke Partij Radicalen (PPR) en D’66. Toch was het een logisch voorstel. Nederland speelde immers een belangrijke rol in de wereldomvattende lobby van de militaire vliegtuigindustrie, zoals de Lockheed-affaire duidelijk had gemaakt. Twee Kamerleden, Piet Dankert van de PvdA en Wim Keja van de VVD, hadden verklaard dat zij forse sommen geld hadden aangeboden gekregen van de Franse vliegtuigfabriek Dassault als zij een goed woordje zouden doen voor hun toestel in de strijd om de opvolging van de Starfighter. Kamerleden hadden nauwelijks inzicht in die wereld terwijl ze er wel over moesten (mede)beslissen.

De VVD en de confessionele partijen voelden niets voor een enqute. De procedure zou te tijdrovend en niet relevant zijn. Zelfs een speciale onderzoekscommissie kon in de ogen van dat deel van politiek Nederland geen genade vinden. Men kan achteraf slechts constateren dat er geen behoefte aan meer duidelijkheid bestond. In het debat over het rapport van de commissie-Donner op 30 augustus kwam de Kamer er nog even op terug, maar zonder de ingenomen standpunten te herzien.

Het Lockheed-onderzoek heeft de schatkist ongeveer 400.000 gulden gekost. Aan reiskosten gingen 167.000 gulden op, Amerikaanse advocaten incasseerden 167.000 gulden, de rest werd besteed aan servicekosten, drukwerk, bureaukosten enzovoort. Peschar, Holtrop en Donner hebben geen bonus voor hun werk gekregen. Wel een bedankbrief van de minister-president. Den Uyl vond het namelijk vanwege de aard van het onderzoek niet zo gepast om ‘stoffelijke blijken van erkentelijkheid’ te geven.


Gerard Aalders: ‘Het Lockheed-schandaal. Wapenindustrie, smeergeld & corruptie.’ Uitgeverij Boom. €19.90. Ook via www.ako.nl.

Gerard Aalders