Minister Kwist, een feuilleton (7)

Het was de hele dag niet licht geweest. Ernest Kwist hield van de melancholie van november. De treurige onbestemdheid van de maand sloot naadloos aan bij zijn gebruikelijke gemoedstoestand.
Hij reed over de A28 naar het noorden, wat zijn novembergevoel nog versterkte. Hij had een spreekbeurt in Emmen. Hij was uitgenodigd door de plaatselijke CDA-afdeling. Hij reed niet zelf. Zijn secretaresse José was zo vriendelijk om hem te brengen en te vergezellen. Als minister van het kleinste en minst belangrijke departement had hij geen dienstauto.

“Toch maak ik me er zorgen over, José.”
“Waarover?”
“Dat mijn ambtenaren in feite meer macht hebben dan ik.”
“Het zijn jouw ambtenaren niet, jij bent hun minister.”
Hij staarde zwijgend voor zich uit. Hij wist wat ze bedoelde, en hij wist dat ze gelijk had. “Denk je dat ze een coup voorbereiden tegen mij?”
“Ernest! Hoe kom je daar nu weer bij?”
“Ze hebben mij zonder mijn weten voorgedragen om Donner op te volgen op Binnenlandse Zaken in het geval dat hij naar de Raad van State gaat.”
“Dat is juist een bewijs van hun loyaliteit. We moeten hier de A37 op, toch?”
“Ik weet het niet, José. Ik weet het niet.”
“Kijk, het staat ook aangegeven: Emmen.”
Kwist zei niets. Zwijgend bereikten ze hun bestemming.
Het was nog rustig in Wijkcentrum Brinkenhoes aan de Martingerbrink. De voorzitter van de plaatselijke afdeling bracht hun een kopje koffie. Hij stelde hen voor aan zijn secretaris en zijn penningmeester. Verder was er nog één ouder echtpaar aanwezig. “Wij komen voor de workshop wildbreien.” “Die is morgen. Vanavond hebben we een spreekbeurt van de minister.” “Welke minister?” “Mag ik u voorstellen, minister Kwist.” “Nooit van gehoord. En wij zijn niet zo van de politiek. Tot morgen dan maar.” De voorzitter verontschuldigde zich. “Gek toch, vorige keer hadden we hier staatssecretaris Bleker en toen zat het wel helemaal vol.” Hij keek op zijn horloge. Het was vijf over acht. “Maar het is ook nog niet echt acht uur.” De wanhoop klonk door in zijn stem.
Toen minister Kwist om kwart over acht dan toch maar officieel welkom werd geheten en het woord kreeg, besefte hij pas dat hij er eigenlijk helemaal niet aan had gedacht om iets voor te bereiden. Hij dankte de afdeling Emmen voor haar gastvrijheid en haar inzet en wist toen niet meer wat te zeggen. “Waarover wilt u dat ik spreek vanavond?”
“Over de toekomst van het CDA.” Het antwoord was afkomstig van een jongeman in een zwart-leren jackje die achterin de zaal in de schaduw stond en die hij nog niet eerder had opgemerkt.
De voorzitter greep in. “Dank voor uw suggestie, maar dat is misschien voor vanavond een te breed…”
“Ik zal eerlijk zijn,” zei Kwist. “Het CDA heeft geen toekomst. Maar daar moeten we misschien niet al te rouwig over zijn. Het gaat niet om de partij, maar om de mensen. Precies dat is waar het CDA zich altijd sterk voor heeft gemaakt. Op mijn departement probeer ik naar eer en geweten de beste beslissingen te nemen voor de mensen. En mijn CDA-achtergrond staat mij daar eerder bij in de weg dan dat die mij inspireert of een leidraad vormt voor mijn afwegingen. Ik ben eigenlijk vergeten mijn CDA-lidmaatschap op te zeggen.”
Het bestuur van de plaatselijke afdeling keek geschokt. Maar wat maakte het uit, dacht Kwist. Het is toch maar Emmen. De perfecte plek op aarde om de waarheid te zeggen.
Na afloop kwam de jongeman in zijn zwart-leren jackje naar hem toe. “Mag ik u danken voor uw openhartigheid, minister? Zo eerlijk zijn bewindslieden niet vaak. Ik ben journalist van het Dagblad van het Noorden. Ik heb uw betoog opgenomen. Morgen staat het erin.”

Klik hier voor alle afleveringen van Minister Kwist, een feuilleton.

ilja leonard pfeijffer