5: Het Duitse inflatietrauma

Dat de Duitse bondskanselier Angela Merkel in de al twee jaar durende eurocrisis steeds consequent ‘nein’ heeft gezegd tegen oplossingen die inflatie kunnen veroorzaken, is, zo wil een populair maar daarom niet minder onjuist cliché, omdat Duitsland een historisch trauma heeft overgehouden aan de hyperinflatie van kort na de Eerste Wereldoorlog.

In een poging te voldoen aan de astronomische herstelbetalingen die het land moest ophoesten, werd in Duitsland toen op grote schaal papiergeld aangemaakt, dat vervolgens in het buitenland werd verkocht tegen vreemde valuta. Gevolg: de al uit de oorlog daterende inflatie rees de pan uit en veel Duitsers zagen hun spaargeld in rook opgaan. In cijfers: in de zomer van 1914 was een Amerikaanse dollar nog 4,2 mark waard. In januari 1920 was dat 64,8 mark, in januari 1923 17.972 mark en in november 1923, op het hoogtepunt van de inflatiegolf, kostte een Amerikaanse dollar maar liefst 4200 miljard oftewel 4,2 biljoen mark. Nóg een cijfer: voor een brood dienden Duitsers toentertijd zo’n 140 miljard mark neer te tellen en de brandwaarde van een bundel bankbiljetten was hoger dan de kolen die je ervoor kon kopen. RB