‘Ik ben dol op rampen’

De Amerikaanse financieel journalist Michael Lewis schrijft de ene na de andere bestseller over de hoofdpersonen van de economische crisis. Hij weet precies waar hij het over heeft, want vroeger was hij ook zo’n snelle beursjongen.

Het is een uur ’s middags in Berkeley, Californië. Een warm novemberzonnetje schijnt door de ramen van Saul’s Deli. Michael Lewis is in opperbeste stemming, want hij is ervan overtuigd dat aan het andere einde van de wereld het monetaire systeem ten val komt.

Met ‘het andere einde van de wereld’ bedoelt hij Europa. “De Italiaanse obligatiemarkt zal instorten,” zegt Lewis. Hij grijnst erbij. “De Grieken willen niet echt veranderen, en ze kunnen het ook niet,” zegt Lewis. Hij lacht. “Uiteindelijk zal de euro verdwijnen,” zegt Lewis. En hij klopt het vrolijk af op de tafel.

Lewis (51) heeft een felgekleurde korte broek aan; zijn kapsel ziet eruit als dat van Robert Redford in betere tijden. Hij doet zijn omineuze voorspellingen alsof hij de manager van een hedgefonds is dat op de ondergang van Europa heeft gewed. Toch is Lewis geen shark uit Wall Street maar een financieel journalist. Hij schrijft niet als een boekhouder over geld maar als een romanschrijver. Dat doet hij al sinds 1989, toen zijn boek Wall Street Poker verscheen (in het Nederlands verschenen als Blufpoker). Hierin vertelt hij over zijn jaren als handelaar bij een beleggingsbank in New York. Nadat in september 2008 de bank Lehman Brothers failliet was gegaan, publiceerde hij anderhalf jaar later The Big Short, dat in oktober in het Nederlands verscheen. En in april verschijnt de Nederlandse vertaling van zijn nieuwste boek Boomerang – The Meltdown Tour. Het is een ontdekkingstocht door de epicentra van een Europese crisis waarin complete nationale economieën zichzelf om zeep hebben geholpen. Natuurlijk speelt het boek zich af in IJsland, Griekenland, Ierland en Duitsland, maar ook in de Verenigde Staten. Zijn land, zegt Lewis, heeft al in de jaren tachtig zijn financiële verstand verloren. Lewis kent die manische periode maar al te goed, toen ‘greed is good’ het motto op Wall Street werd. Hij was vroeger immers ook zelf zo’n snelle beursjongen.


Lewis slaagt erin een mijnlamp aan te steken in de duisternis van de wereld-wijde financiële chaos, want hij kijkt verder dan de cijfers. Hij gaat op zoek naar de mensen die de crisis hebben veroorzaakt. Zoals de ex-premier van IJsland en de vissers van dat land, die van de ene dag op de andere dachten dat ze bankier waren geworden. Hij gaat op bezoek bij de voormalige minister van Financiën van Griekenland en bij de monniken van Vatopedi op het schiereiland Athos, die sober leven maar wel met omstreden vastgoedtransacties een miljardenvermogen hebben verdiend. Hij geeft de anonieme krachten achter de wereldwijde financiële malaise een naam en een gezicht. Hij vertelt over hun beslissingen, domheid, kortzichtigheid en hebzucht.

Overal in Europa ziet hij hoe spotgoedkope kredieten en een schijnbaar onbegrensde liquiditeit de crisis hebben aangewakkerd. “Alsof er tegen de burgers van complete landen was gezegd: we doen het licht uit, doe maar wat je wilt in het donker,” schrijft hij.

In Griekenland vertelt de ex-minister van Financiën hem dat het goedkoper is om alle burgers met de taxi te laten reizen dan de staatsspoorwegmaatschappij te subsidiëren. In Ierland ontdekt hij dat de bewoners van het voormalige armenhuis van Europa op het idee kwamen om met goedkope kredieten elkaar over en weer hun land te verkopen. Hij schrijft hoe een complete generatie IJslandse mannen niet meer ging vissen, zoals hun voorvaders meer dan duizend jaar lang hadden gedaan, maar geld belegde in appartementen in Beverly Hills, in Britse voetbalclubs, Deense vliegmaatschappijen en Noorse banken. Ze gingen te werk zoals ze altijd hadden gevist: door weer en wind, en net zolang tot de boot zinkt.


“Een hedgefondsmanager uit Londen legde me uit hoe het zat met die IJslandse banken,” schrijft Lewis. “Hij zei: ‘Stel je voor dat jij een hond hebt en ik een kat. We besluiten dat die allebei een miljard euro waard zijn. Ik verkoop jou mijn kat voor een miljard euro en jij mij jouw hond voor een miljard euro. En opeens zijn we geen huisdierbezitter meer maar IJslandse banken met een miljard in kas.'”

Grieken, IJslanders en Ieren – ze wilden allemaal snel rijk worden. Iedereen die beren op de weg zag, werd als een lafaard gezien. Ze gedroegen zich alsof ze stage hadden gelopen in New York. “Overal zag ik de vingerafdrukken van Wall Street,” zegt Lewis. In Griekenland hielp beleggingsbank Goldman Sachs de regering de balanscijfers op te poetsen.

Lewis was erbij toen in de jaren tachtig de ongebreidelde deregulering begon en financiële bedrijven tot beursgenoteerde megaconcerns transformeerden. De risico’s wentelden ze af op de aandeelhouders en op de hele samenleving. Ze moesten too big to fail worden. In 1985 begon hij – na een studie kunstgeschiedenis op Princeton – bij Salomon Brothers, destijds een van de meest agressieve beleggingsbanken.

Hij droeg rode bretels met gouden dollartekens. Zijn verdieping werd bevolkt door adrenalinejunks, egomanen die weinig verstand hadden van geld maar konden verkopen als de beste. Ze moesten sukkels opsporen die ze hun obligaties konden aansmeren. “Een handelaar moet een bruut zijn, en een succesvolle handelaar een nog veel grotere bruut,” luidde een van de ongeschreven regels bij Salomon Brothers. Wie erin slaagde om heel veel sukkels te vinden en op één dag miljoenen dollars voor het bedrijf te verdienen, kreeg de eretitel big swinging dick. Ze waren er allemaal op gebrand om iets te verkopen wat eigenlijk niets waard was en zo snel mogelijk rijk te worden.


Lewis was een van de jongste en bestbetaalde brokers in de geschiedenis van Salomon Brothers, maar onder pseudoniem schreef hij in dagbladen wat er op zijn werk allemaal gebeurde. Zijn vader, een advocaat uit New Orleans, raadde hem aan om er tien jaar te blijven, zodat hij voor de rest van zijn leven zijn schaapjes op het droge zou hebben. Maar Lewis incasseerde nog tweemaal een bonus van honderdduizend dollar en nam na drie jaar ontslag. In 1989 verscheen zijn boek Wall Street Poker. “Ik dacht dat we vroeg of laat de rekening gepresenteerd zouden krijgen, dat er een dag zou komen dat al die duizenden jonge mannen, die niets anders deden dan gokken met andermans geld, een schop onder hun kont zouden krijgen.” Maar het tegendeel gebeurde. De inzetten werden steeds hoger en de risico’s voor de banken steeds kleiner. “Als jij geld verliest maar de rest ook, dan zal niemand je ter verantwoording roepen,” zegt Lewis. “Maar als iedereen geld verdient behalve jij, dan overleef je niet lang.” Het geheim om succes op Wall Street te hebben, is kennelijk meelopen met de massa.

Hij zegt dat hij Wall Street Poker heeft geschreven als waarschuwing voor jonge mensen die dromen van een carrière op de beurs, maar beter iets nuttigs met hun leven zouden kunnen doen. Maar hij kreeg juist stapels post van studenten die meer informatie over Wall Street wilden. Het liefst insider-tips om snel hogerop te komen. Ongewild had Lewis een aanbevelingsbrief geschreven.

Hij ging op zoek naar nieuwe verhalen, ver weg van Wall Street. Over buitenbeentjes en nerds in Silicon Valley, mensen die juist niet met de massa meelopen. Hij schreef een boek over honkbalmanager Billy Beane (Moneyball, momenteel als film in de bioscoop te zien), die in 1997 de Oakland A’s overnam. Een team dat keer op keer verloor, totdat Beane een computerprogramma bedacht waarmee hij kansrijke spelers kon ontdekken. Vaak waren dat oude of geblesseerde spelers of lastposten met wie geen land te bezeilen viel. Tussen 2000 en 2006 wonnen de A’s viermaal de West Division van de American League. Beane had voor een revolutie gezorgd in de miljardenindustrie van het honkbal. Lewis schreef ook over Michael Oher (The Blind Side), een underdog die het slecht deed op school en in pleeggezinnen was opgegroeid. Op een goede dag werd hij onder de vleugels genomen door Leigh Anne Tuohy, een vrouw die gek op football was. Zij ontdekte dat achter zijn passiviteit een sterk ontwikkeld beschermingsinstinct schuilging. Dat hielp hem om uit te groeien tot een van de bestbetaalde offensive tackles (die de quarterback moet beschermen tegen aanvallen in de rug, zijn zogenaamde ‘blind side’) in de National Football League.


En over mensen als Steve Eisman en Michael Burry (The Big Short), die in de financiële wereld werkten en zich niet konden voorstellen dat een Mexicaanse aardbeienplukker met een jaarinkomen van 13.000 dollar zijn hypotheek van 724.000 dollar op tijd zou kunnen afbetalen. Zij waren de zwarte schapen van Wall Street, waar waardeloze leningen in telkens nieuwe, grote kredietpakketten werden gebundeld en vervolgens voor veel geld werden verkocht. Eisman en Burry deden daar niet aan mee. Eisman is een ondiplomatieke man, op het lompe af, Burry heeft een glazen oog en lijdt aan een vorm van autisme die hem blind maakt voor non-verbale communicatie met zijn medemensen. Hij kan zich urenlang verdiepen in gecompliceerde wiskundige vergelijkingen en in de kleine lettertjes van financiële producten. Burry leest alles, ook de saaie juridische teksten die de meeste van zijn collega-handelaren meteen wegklikken op hun computerscherm. De onthullende details van de waardeloze kredieten.

Eisman en Burry werden zwartgemaakt en genegeerd, maar bleven hun eigen koers varen en werden zo heel rijk. “Het is niet gemakkelijk om tegen een hysterische massa in te gaan zonder voor gek te worden versleten,” zegt Lewis. Hij heeft lang gezocht voordat hij mensen als Eisman en Burry vond. Volgens hem zijn er misschien nog vijftien anderen die dezelfde eigenwijze koers hebben gevaren. De rest, honderdduizenden anderen, was een enorme kudde die en masse de verkeerde kant op galoppeerde.

Honkbalmanager Billy Beane, footballster Michael Oher en de bankiers Steve Eisman en Michael Burry zijn filmgenieke mensen: rebellen die de moed hebben om anders te denken en zo uiteindelijk de overwinning behalen. Hun verhalen heeft Lewis alledrie aan Hollywood kunnen verkopen. Actrice Sandra Bullock kreeg vorig jaar een Oscar voor haar rol als footballmoeder in The Blind Side. En Brad Pitt, die de hoofdrol speelt in Moneyball, behoort tot de belangrijkste kanshebbers voor een Oscar in 2012. De echte hoofdpersonen uit Lewis’ boeken zijn ook beroemd geworden. Ze schrijven zelf ook boeken en treden op in talkshows.


In zijn nieuwste boek schrijft Lewis ook over het belangrijkste EU-land, Duitsland. Hij beschuldigt de Duitsers, volgens hem een volk met neurotische trekjes, ervan dat ze graag wilden meedoen met de geldorgie van de jaren nul, maar geen vuile handen wilden krijgen. Ze dachten dat ze een spel speelden dat alleen maar winnaars kende, terwijl er op Wall Street een volkomen andere moraal heerste: daar waren ze op zoek naar de sukkels aan wie ze hun waardeloze rommel konden verkopen. Terwijl de zeepbel al op barsten stond, stelden de handige beursjongens lachend pakketten samen met waardeloze subprime-papieren, speciaal voor ‘die sukkels in Duitsland’.

“In dit verraderlijke financiële wereldje zijn de Duitsers als de bewoners van een eiland die niet zijn ingeënt tegen de ziekten van vreemde indringers,” zegt Lewis. “Ze vertrouwden de handelaren van Wall Street, zoals ze de Fransen vertrouwden toen die beloofden dat de Duitsers nooit voor de schulden van andere Europese landen zouden hoeven opdraaien, of de Grieken toen die beloofden dat ze hun huishoudboekje op orde zouden brengen.” Lewis omschrijft de Duitsers als dwangmatige fetisjisten, gevangen in hun eigen geschiedenis. Even lijkt hij een beursjongen die journalistieke subprimes aan zijn gehoor probeert te slijten. Hij mag de Duitsers niet zo. Hij vindt ze een beetje eng en vooral saai. Het zijn vreemde wezens in de moderne financiële wereld, vindt hij.

Meer dan een uur praat Lewis deze middag over de stervende euro. Hij houdt er een uitstekend humeur bij. “Ik ben dol op rampen,” zegt hij. Misschien heeft hij geen hekel aan Duitsers omdat ze eng en saai zijn, maar omdat die ‘neuroten’ als enigen de naderende catastrofe kunnen afwenden.


Der Spiegel. Vertaling: Thijs Joosten

Thomas Hüetlin