‘Ik heb God niet nodig’

Michel Piccoli (85) is een van de grootste acteurs van de Europese cinema. Hij schitterde in films van Alfred Hitchcock en Luis Buñuel, en met tegenspeelsters als Brigitte Bardot en Romy Schneider. Een gesprek over zijn jeugd, zijn rol als paus en de onzin van geloven.

In uw eerste grote film speelde u een dorpspastoor. Dat was in 1956, in La mort en ce jardin van Luis Buñuel. In uw nieuwste film, Habemus papam, bent u een kardinaal die tegen zijn zin tot paus wordt gekozen.

“Da’s best een aardige carrière, toch? Ik kan me goed voorstellen hoe Buñuel daarop zou reageren: ‘Vreselijk!'”

Waarom?

“Omdat hij me vaker heeft verteld dat hij de paus het liefst zou doodschieten. Daar droomde hij van.”

Waarom wilde u graag een paus spelen die wegloopt voor zijn taak en het Vaticaan ontvlucht?

“Deels omdat ik mijn vriend Nanni Moretti een heel goede regisseur vind. En ook omdat het personage me boeide: een man die op het hoogtepunt van zijn macht ‘nee’ zegt. Het getuigt van intelligentie dat je aan het einde van je leven de allerhoogste roem afwijst en liever acteur wordt.”

Hij ontdekt ook dat de rol van paus zich niet laat spelen.

“Klopt, hij is erg ontdaan wanneer hij hoort dat hij tot paus is gekozen. Hij is een gelovig en oprecht mens en hij kan die rol niet voor zichzelf verantwoorden.”

Zouden machtige mensen niet wat kritischer naar zichzelf moeten kijken?

“Ik denk dat ze hun twijfels niet durven toegeven. Ze maken fouten om hun gezicht te redden.”

U hebt alles mee voor deze rol. Uw uiterlijk, leeftijd, uitstraling en mimiek. Bent u katholiek opgevoed?

“Tot een bepaald moment. Mijn moeder was erg gelovig, ze had tien broers en zussen en elf kinderen. Maar toen sneuvelde een van haar lievelingsbroers in de Eerste Wereldoorlog, en daarna stierf een van mijn broertjes op driejarige leeftijd. Toen zei ze: ‘Bij mij hoef je niet meer met God aan te komen.'”


U bent dus niet religieus opgevoed.

“Nee, maar daar zit ik niet mee. Ik kan me wel voorstellen waarom mijn moeder haar geloof is kwijtgeraakt.”

Bent u zelf gelovig?

“Ik heb God niet nodig om het leven te begrijpen of te waarderen. Maar ik snap wel dat veel mensen daar anders over denken.”

Dat is toch verstandig van ze?

“Nee hoor, integendeel, dat is een gevaarlijke houding. Mijn tante was al twee zoons kwijtgeraakt, en toen stierf ook nog eens haar dochter. Mijn moeder zei: ‘Wat vreselijk voor je, nu ben je al drie kinderen kwijt.’ ‘Ach,’ reageerde mijn tante, ‘ze is nu bij haar broertjes.’ Wat moet je daar nou op zeggen?”

Hebt u een gelukkige jeugd gehad?

“Ik denk dat maar weinig kinderen gelukkig opgroeien. Vind je het gek als je ziet hoe volwassenen ruziemaken en tegen elkaar schreeuwen. Ouders en kinderen, dat is geen geweldige combinatie. Toen mijn broertje was overleden, heb ik hem zo’n beetje moeten vervangen. In de herinnering van mijn ouders was hij natuurlijk een fantastisch kind. Daar kon ik niet tegenop, begrijpt u?”

U schijnt ook met poppen te hebben gespeeld.

“In die tijd waren mensen bang dat je dan later homo zou worden, maar de reden was heel simpel. Ik had een nichtje dat ik graag mocht. Haar ouders waren heel rijk en zij had een enorme verzameling poppen, terwijl ik bijna geen speelgoed had. En dus speelden we met haar poppen. Ik heb daar overigens geen trauma’s aan overgehouden.”

Sterker nog, u speelt vaak zeer man-nelijke rollen.

“Mannelijk en sterk gelaagd. Ik hou erg van de complexiteit van het leven. Ik heb trouwens als kind bijna geen woord gesproken. Dat veranderde pas rond mijn negende, toen ik acteur wilde worden. Toen kreeg ik zelfs de hoofdrol in een toneelstuk dat we op school opvoerden.”


Toen moest u wel praten.

“Sterker nog: de rest moest zwijgen en naar me luisteren. Dat hadden ze voorheen nooit gedaan.”

Toen u een jaar of veertien was, vielen de Duitsers uw land binnen.

“Ik ben dol op de Duitse taal. Ik versta er geen woord van, maar ik vind de klanken zo mooi.”

Veranderde dat toen Duits de taal van de vijand werd?

“De mensen waren erger dan hun taal. Toevallig hoorde ik op 18 juni 1940 de beroemde radiotoespraak van generaal De Gaulle waarin hij de Fransen opriep zich te verzetten. Vanaf dat moment was ik een gaullist. In de radiotoespraken van Hitler hoorde ik niets van de schoonheid van de Duitse taal terug. Ik werd zeer anti-Duits, hield zelfs een tijdlang de troepenbewegingen van het Rode Leger bij op een landkaart. Mijn ouders vonden dat doodeng, want daarvoor kon je in de gevangenis belanden.”

Maar u bent de dans ontsprongen.

“Eén keer scheelde het weinig. Mijn moeder had me naar een vriendin van haar in Dieppe gestuurd, in Normandië, om boter te halen. Ik was er bijna toen ik langs een Duitse controlepost moest. ‘Papieren, papieren!’ riepen ze, maar die had ik niet, en dus gooiden ze me in de cel. Na een nacht bij de SS hebben ze wat telefoontjes gepleegd en me laten lopen.”

Hoe is het afgelopen met de boter?

“Die heb ik opgehaald en aan mijn moeder gegeven. Een heldhaftige verzetsdaad, vindt u ook niet? Een Duitse soldaat zei tegen mijn moeder: ‘Realiseert u zich dat uw zoon iets ergs heeft gedaan?’ Mijn moeder antwoordde: ‘Nee, hij heeft iets gedaan wat verboden is.’ Na dit voorval ging ik naar onze buurman, die in het verzet zat, en bood hem mijn diensten aan. Maar hij weigerde, omdat ik nog niet meerderjarig was. Wat ik aan die tijd heb overgehouden, is een haat tegen de Duitse en Franse politiek van toen.”


Bedoelt u de collaboratie?

“Ja. Dat was iets vreselijks. Natuurlijk niet zo erg als de concentratiekampen, maar beide hebben dezelfde wortels.”

Hebt u daarom na de oorlog met linkse politici gesympathiseerd?

“Misschien hangt mijn politieke voorkeur wel met de oorlog samen, ja.”

In de jaren vijftig speelde u in de DDR mee in een film over Ernst Thälmann, leider van communisten in de Weimarrepubliek. Hoe kwam u daar terecht?

“Ze vroegen me voor die rol en ik heb ‘ja’ gezegd; er zat geen politieke motivatie achter. Als ik me goed herinner, heb ik ook alleen in West-Berlijn gedraaid.”

U spreekt veel Duits in die film. Onder andere de zin: ‘Wir könnten alle Brüder sein.’

“Ooit ben ik naar Wenen gereisd voor proefopnamen. Daar moest ik een paar domme zinnen in het Duits zeggen, ik herinner me niet meer welke. Toen begon ik me te realiseren dat het vak van acteur vrij bizar is. Hebt u mijn Duits die in Thälmann-film kunnen verstaan?” Ja hoor, heel goed zelfs.

“Ik ben nooit een communist geweest, ook al hoopte ik dat het Rode Leger ons in de oorlog zou komen bevrijden. Maar ik ben wel altijd geïnteresseerd geweest in politiek.”

In sommige van uw films speelt u een geborneerde, decadente bourgeois. U hebt een hekel aan zulke mensen, nietwaar?

“De Franse bourgeoisie kijkt neer op iedereen die niet tot haar klasse behoort. Die mensen hadden Hitler niet nodig om antisemiet te worden. Ze hebben de neiging anderen te marginaliseren, of ze nu rijke bourgeois zijn of arme.”

U hebt altijd gezegd dat u projecten en mensen zoekt die een beetje gek zijn.

“Er moet iets geks in zitten, een soort beheerste waanzin.”


Voor onsympathieke personages loopt u evenmin weg. U hebt al eens een moordende advocaat gespeeld en een arbeider die politiemensen doodt en opeet. Bent u weleens voor een rol teruggeschrokken?

“Misschien was het publiek bang voor die personages, maar ik heb ze met enorm plezier gespeeld.”

U hebt met honderden tegenspelers gewerkt. Wie van hen waren ook een beetje gek?

“Vooral de Italianen, ik bedoel Marcello Mastroianni en Ugo Tognazzi. En Gérard Depardieu. Mijn Engelse collega’s bewonderde ik meer om hun vakmanschap. Regisseur Peter Brook heb ik eens gevraagd waarom die Britten allemaal zo goed zijn. Hij antwoordde: ‘Omdat ze weten wat schaamte is.’ Prachtig antwoord!”

U hebt zes films gemaakt met Romy Schneider.

“De Fransen waren er trots op dat zo’n groot actrice naar Frankrijk was verhuisd. Fransen pronken graag. Ik noemde haar altijd ‘chleuh’ om haar aan het lachen te maken.

Dat is toch Frans voor ‘mof’?

“Ja, maar ze vond het grappig. Ze heeft erg geleden onder de geschiedenis van Duitsland, ze was een heel ongelukkige vrouw. Dat zie je in haar films, aan de manier waarop ze kijkt en praat. Ze wist hoe je moet lachen, maar dat was niet voldoende. Ik was erg op haar gesteld.”

Toch hebt u altijd gezegd dat u meer van uw regisseurs houdt dan van uw tegenspelers.

“Of ik een rol aanneem of niet, hangt helemaal af van de regisseur. Ik wil weten waarom hij een bepaalde film wil maken en waarom hij uitgerekend mij voor die rol wil. Dan pas weet ik of ik ja of nee zal zeggen. Toen ik met Marco Ferreri La grande bouffe draaide, zei hij alleen: ‘Nu opstaan’ of: ‘Nu gaan zitten’. Dat was alles. Ik heb het geluk dat ik met een paar uiterst zwijgzame regisseurs heb gewerkt.”


Hoe was Hitchcock? Die stond ook niet bepaald bekend als spraakwaterval.

“Dat was een rare ervaring. Ik ben er nooit achtergekomen waarom hij mij voor Topaz wilde hebben. Ik heb het verscheidene keren gevraagd, maar er kwam niets uit hem.”

Klopt het dat hij een hekel had aan Fransen?

“Hij was een Engelsman, hij maakte iederéén belachelijk! Toen ik ontdekte dat mijn trailer geen badkamer had, sprak ik hem daar boos op aan. Hij antwoordde alleen: ‘Geld.'”

Waarom is Topaz uw enige Hollywoodfilm gebleven?

“Omdat ik geen aanbiedingen kreeg. Maar dat vond ik niet erg, want de Amerikanen hebben zelf genoeg goede acteurs.”

U wordt deze maand 86.

“Moet ik me daar druk over maken?”

Speelt u nog altijd met evenveel plezier?

“Ja, maar ik kan me voorstellen dat ik het acteren ga verruilen voor schrijven.”

Wilt u uw memoires schrijven?

“Nee, scenario’s. Ik heb een paar films geregisseerd en dat zou ik graag vaker willen doen.”

Geen magnum opus om uw carrière mee af te sluiten?

“Hoezo afsluiten? Ik ben een kunstenaar. Kunstenaars zijn voor de eeuwigheid!”

Der Spiegel. Vertaling: Thijs Joosten

Michel Piccoli begon al in de jaren veertig met theater en film. De zoon van een muzikantenechtpaar werkte voor de film La mort en ce jardin voor het eerst samen met regisseur Luis Buñuel, met wie hij later ook de klassiekers Belle de jour (1967) en Le charme discret de la bourgeoisie (1972) maakte. Zijn doorbraak beleefde hij in 1963 met Le mépris van Jean-Luc Godard, waarin hij een scenarioschrijver speelt. Alfred Hitchcock gaf hem de rol van de charmante dubbelspion in Topaz (1969) en Marco Ferreri die van de verveelde tv-producent Michel in La grande bouffe (1973). Hij stond zesmaal met Romy Schneider voor de camera, onder meer in Les choses de la vie (1970) en Max et les ferrailleurs (1971). Piccoli regisseerde zijn eerste film, Alors voilà, in 1997. Zijn nieuwste film, Habemus papam, geregisseerd door Nanni Moretti, draait momenteel in de bioscopen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Lars-Olav Beier en Romain Leick