Lafaards in toga

De Hoge Raad zweeg toen de Duitse bezetter de joden alle rechten ontnam. En na de bevrijding mochten de raadsleden gewoon aanblijven, blijkt uit het boek van historicus Corjo Jansen.

Onlangs schreef ik in deze rubriek over het boek Jodenjacht, de studie van Ad van Liempt over het gedrag van de Nederlandse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik schreef toen: “Er zijn van die boeken die je eigenlijk niemand wilt aanraden, omdat het lezen ervan voornamelijk gevoelens van misselijkheid oproept. Toch is Jodenjacht van Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie (red.) een belangrijk boek, een boek dat geschreven moet zijn. En dat gelezen moet worden.”

Nu is er weer zo’n boek verschenen: De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog van de historicus Corjo Jansen, die werd bijgestaan door Derk Venema. Ook nu weer kun je zonder overdrijving van een ontluisterend boek spreken, een boek waar je beroerd van wordt.

In zekere zin zijn Jodenjacht en De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog elkaars aanvullende tegenpolen. Jodenjacht beschrijft de mentaliteit die heerste aan de onderkant van het staatsapparaat, terwijl De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog de mentaliteit beschrijft die heerste aan de bovenkant.

De onderkant deed het vuile werk: het opsporen en ophalen van de joden, waarbij het confisqueren van goederen gepaard ging met een schaamteloze zelfverrijking. De bovenkant onthield zich geheel van het vuile werk, en misschien droegen sommige raadsleden niet eens kennis van de brute wijze waarop joodse Nederlanders van hun rechten werden ontdaan. De rechters van de Hoge Raad waren keurige mensen in zwarte toga’s, die zich maar al te graag ridderorden lieten opspelden. Na de oorlog realiseerden de meeste van hen zich niet wat ze tijdens de bezetting hadden misdaan.

Hadden ze niet juist alles in het werk gesteld om erger te voorkomen?


Na de oorlog is er een groot aantal verwijten gemaakt aan de rechters van de Hoge Raad. Het allerzwaarste is wel dat ze geen woord van protest hebben laten horen toen hun eigen president, de eerbiedwaardige mr. Lodewijk Ernst Visser, werd afgezet vanwege het feit dat hij joods was. Men liet hem gaan en zweeg. De zwijgende collega’s mochten blij zijn dat Visser in 1942 stierf aan een hersenbloeding. Het zou hun verweer na de oorlog beslist geen goed hebben gedaan als Visser was vermoord in een concentratiekamp.

Op de begrafenis van Visser waren geen leden van de Hoge Raad aanwezig. Wel schreef een aantal van hen een condoleancebrief aan de weduwe. Die brieven stonden vol lofprijzingen, maar dat was gemakkelijk gedaan, want die kwamen niet in de openbaarheid. Uit de houding ten opzichte van Visser spreekt niet alleen een gebrek aan assertiviteit toen het lot van hun collega in het geding was, maar ook een onverschilligheid jegens een bevolkingsgroep die werd afgemaakt. Onder de ogen van de hoogste rechters van ons land werden mensen vanwege hun etnische afkomst rechteloos gemaakt.

Kort samengevat komen de naoorlogse verwijten aan de Hoge Raad hierop neer: de Raad heeft niets gedaan om te voorkom dat de ariërverklaring werd ingevoerd. De Raad heeft niet geprotesteerd toen Visser werd opgevolgd door de pro-Duitse Van Loon. Ook een nieuw NSB-lid marcheerde ongehinderd de Hoge Raad binnen. Het college heeft niet geprotesteerd toen twee raadsleden van het Hof in Leeuwarden werden ontslagen, omdat ze een uitspraak hadden gedaan die de Duitsers onwelgevallig was. De Hoge Raad heeft het toegelaten dat bepaalde door de Duitsers opgelegde verordeningen niet getoetst hoefden te worden aan het Nederlands recht.


Enzovoort.

In feite is de houding van de Hoge Raad van na oorlog even beschamend als die tijdens de oorlog. De hoogste rechters zagen niet in wat ze hadden misdaan en bleven eenvoudigweg zitten. Als doorgewinterde juristen is hun dat tenslotte grotendeels ook gelukt. Hun afzetting was mogelijk geweest als er doortastende politici waren geweest, die hadden begrepen dat je de trias politica niet tot het einde hoeft te eerbiedigen en die het hadden gedurfd de regel te doorbreken dat een onafhankelijke rechter voor het leven wordt benoemd.

Typerend was het verweer van mr. H.W.B. Thien, die uiteindelijk als een van de weinigen wel werd ontslagen, maar die daarover steeds verbijsterd is geweest. Dat de baas bij Justitie die hem had aangesteld – een zekere Schrieke, tevens rechterhand van Seys-Inquart – had geheuld met de Duitsers, was hem helemaal niet opgevallen. Die Schrieke had zich juist heel gematigd opgesteld, net als hijzelf. Niemand kon hem een antidemocratische gezindheid verwijten. Hij was alleen voor een bepaalde variant: de autoritaire democratie!

Je vraagt je af wat er in het hoofd van zo’n man omgaat.

Een speciale rol binnen de Hoge Raad is gespeeld door mr. J(an) Donner, de grootvader van minister Piet Hein Donner en de vader van de schaker J.H. Donner. De oervader van de Donners werd tweemaal in de oorlogsjaren gearresteerd, beide malen vermoedelijk abusievelijk. Onder druk van het verzet trad hij min of meer vrijwillig uit de Hoge Raad terug, waarbij het erop lijkt dat principiële bezwaren nauwelijks een rol hebben gespeeld. Nog voor de bevrijding zat hij weer op zijn plaats. Hij schijnt bezwaren te hebben opgeworpen, maar zeker is dat hij zich na de oorlog als een van de grootste verdedigers van de Hoge Raad heeft opgesteld. Als iemand die geheel bereid was het adagium ‘om erger te voorkomen’ goed te praten.


Vanwege zijn kortstondige terugtreding was Donner na de oorlog acceptabel als de nieuwe voorzitter van de Hoge Raad. Te midden van zijn oude collega’s, die ook hun plaats weer innamen, opende Donner de eerste zitting in het nieuwe Nederland. Wie gedacht had dat hij daarbij enige gloedvolle woorden zou spreken over mr. L.E. Visser kwam bedrogen uit. Donner zei niets. Hij hield zijn mond en refereerde niet aan zijn voorganger. Ook later zou Donner nooit meer op de kwestie terugkomen.

Visser was een gerespecteerd man, die tot het laatst heeft geprobeerd voor de joodse zaak op te komen. Hij wist via emigranten al voor de oorlog wat voor vlees hij met de nazi’s in de kuip had. Hij doorzag hun tactiek om hun rechten beetje bij beetje weg te snijden. Over Visser heeft Donner slechts beweerd dat diens joods-zijn ‘een handicap’ is geweest bij het loodsen van de Hoge Raad in veilige haven. Toen ik dat las, viel mij ten aanzien van mr. Jan Donner maar één woord te binnen: klootzak.

De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog is een boek dat je aan het denken zet. Briljante juristen bleken kleine mensen. Wij zijn gewend het verleden inmiddels te beschouwen in grijstinten, en inmiddels voldoen de eenvoudige begrippen ‘goed’ en ‘fout’ niet meer. Maar dit boek maakt duidelijk dat het met het wanbegrip bij de Hoge Raad veel erger is geweest dan werd gedacht. Dit boek toont aan dat de Raad behoorlijk fout is geweest, en dat het er in die naoorlogse jaren niet veel beter op is geworden. Of om de woorden van Corjo Jansen te gebruiken: “Met het aantreden van Donner begon het ‘grote verdringen’ van de opstelling van de Hoge Raad gedurende de bezetting.”


Het heeft zeventig jaar moeten duren voordat aan die verdringing een einde is gekomen.

Corjo Jansen m.m.v. Derk Venema: ‘De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog’. Uitgeverij Boom, €29,90.