Overwerkte kunstenaars

De boeken van D. Hooijer zijn met niets te vergelijken. Ook haar nieuwste, over een privéinrichting voor rare snuiters, staat weer volstrekt op zichzelf. Maar helaas ontbreekt het aan suspense. Credit auteur>door dries muus

In een Paris Review-interview zei Woody Allen ooit dat hij sommige komische acteurs – hun losse grappen, hun manier van denken, hun toon – meer bewonderde dan hun films. “The films may be weak or silly but the comics were geniuses,” zei hij.

Over De wanden van Oeverhorst zou je ook zoiets kunnen zeggen, zonder nou meteen met termen als ‘geniaal’ te strooien. D. Hooijer laat je glimlachen, grinniken, soms zelfs hardop schateren. Maar dat is niet genoeg: het geheel is een stuk minder overtuigend dan de som der grappige zinnen.

Toen Hooijer (pseudoniem van Kitty Ruys) in 2008 vrij onverwacht de Libris Literatuurprijs won voor haar verhalenbundel Sleur is een roofdier, stond het juryrapport vol met termen als ‘uniek’, ‘curieus’, ‘nogal buitenissig’ en ‘ongewoon’. Het is niet verstandig om al te veel te vertrouwen op juryrapporten, maar in dit geval had de jury een punt. De verhalen waren inderdaad behoorlijk maf. Soms licht krankzinnig, soms bevreemdend nuchter, en soms allebei tegelijk.

Na Sleur is een roofdier volgde een roman, of eigenlijk iets tussen roman en verhalenbundel in: Catwalk. Een serie verhalen over verschillende – rare – personages die in meer of mindere mate met elkaar te maken hebben, vanuit verschillende perspectieven verteld. De wanden van Oeverhorst is Hooijers eerste boek van langere adem met één verteller, met een min of meer consistente, chronologische verhaallijn en een duidelijke verdeling in hoofd- en bijrollen. Hooijers eerste traditionele roman, zou je kunnen zeggen, voor zover je bij Hooijer ooit van traditioneel kunt spreken.


Het is moeilijk om precies aan te geven wat haar werk zo apart maakt, en je gaat bijna automatisch op zoek naar mogelijke invloeden of verwante geesten, zoals je in onbekende steden alles ook onwillekeurig vergelijkt met bekende plekken. De wanden van Oeverhorst is een beetje Van Warmerdam, maar dan minder nadrukkelijk absurd. Qua lulligheid is het een beetje de vroege Reve, maar dan minder grauw, en het heeft iets van Biesheuvel maar is een stuk eigentijdser. Dit is allemaal een manier om te zeggen dat Hooijers nieuwste wederom volstrekt op zichzelf staat.

De ik-persoon, Antoinette, woont en werkt op Oeverhorst. Aanvankelijk is Oeverhorst een privéinrichting voor allerlei mensen met psychische problemen, later alleen voor overwerkte kunstenaars. Antoinette geeft tekenles, en, belangrijker, ze overziet hét creatieve project op de inrichting: de jaarlijkse grote wandschildering. Een teamprestatie, waarbij de grootste uitdaging vooral is: hoe maak je een mooi, indrukwekkend, en vooral neutraal kunstwerk? Het mag niet somber zijn, niet aanstootgevend, niet dreigend, en er zijn altijd patiënten (‘internen’) die het beter weten. In dertien hoofdstukken volgen we, aan de hand van de wandschilderingen, het leven op Oeverhorst, met af en toe een uitstapje naar Antoinettes verwaarloosbare leven buiten de inrichting. Antoinette (‘juffrouw Tonnie’) begint een relatie met Olaf, een van de eigenaren van Oeverhorst. Ze sluit vriendschappen met de andere eigenaar, Wibold, en zijn vriendin Louise, die met Olaf getrouwd is geweest en hem nooit helemaal heeft kunnen loslaten.


Dat klinkt als een recept voor een fijne problematische driehoeks-, of zelfs vierkantsverhouding. Maar De wanden van Oeverhorst is geen roman met grote conflicten. Als Hooijer al vragen oproept, worden ze meteen keurig beantwoord. Oeverhorsts subsidie wordt opgeschort? Oké, dan passen we toch gewoon het beleid aan. Twee vervelende internen werken alles en iedereen tegen? Geen probleem, we jagen ze weg met een list. Wibold krijgt de ene fysieke tegenslag na de andere te verwerken? Lastig, maar ook daar komen we met z’n allen wel uit. Zo sukkelen de levens van Antoinette en de andere personages voort.

Sommige stukken zijn erg vermakelijk. Véél stukken zijn erg vermakelijk. Dit levendige stukje dialoog bijvoorbeeld, waarbij ik telkens weer in de lach schiet, zonder echt te weten waarom:

“Olaf jongen… hoe staat het met je mos?”

“Geweldig. Zie je dit zilverige? Zie je die gloed?”

“Het is geen mos van hier,” zegt Van der Berg.

“Dat is wel mos van hier man!”

Je hoort ze praten.

En als Antoinette de mensen in haar omschrijving beschrijft, weet je meteen met wat voor types je te maken hebt (over haar broer: “Zijn lievelingsvraag is: ‘Kan je het managen?'”). Al Hooijers personages hebben iets wereldvreemds, maar ze functioneren aardig, hun belachelijkheid ligt er niet te dik bovenop, en ze zijn even vreemd als sympathiek.

Veel sterke zinnen, aansprekende personages. En toch, en toch. Het is het gebrek aan dreiging, aan suspense, waardoor De wanden van Oeverhorst niet overtuigt als geheel. Er zijn hoogstens allerlei afzonderlijke korte spanningsbogen, maar niet één die je de hele roman door nieuwsgierig houdt. En doordat alle plooien zo snel worden gladgestreken heb je nooit het gevoel dat er echt iets op het spel staat. Alles komt uiteindelijk toch wel weer goed.


De wanden van Oeverhorst heeft al met al veel weg van de wandschilderingen in de inrichting: mooi, aangenaam, maar nauwelijks pijnlijk of spannend.

D. Hooijer: De wanden van Oeverhorst. Van Oorschot, €16. Ook via ako.nl.

Het grote Nederlandse publiek kent hem waarschijnlijk vooral van Fear and Loathing in Las Vegas – de film. Dat is geen ramp, maar wel een beetje jammer. Hoe geweldig de film ook was, de roman is beter, en veel van Hunter S. Thompsons werk is minstens net zo goed. Daar is alleen al het verhaal ‘Heeere’s Johnny!’, waarin Thompson een aantal onschuldige practical jokes met Jack Nicholson uithaalt: hij hangt een bijzonder verjaardagscadeautje aan Jacks deur (een rauw elandhart) en hij wil hem ’s nachts uit zijn slaap halen (door vlak bij Jacks huis een soort torpedo af te schieten).

Nu is er weer een verfilming, dit keer van The Rum Diary. Het goede nieuws is dat Johnny Depp (een vriend van de in 2005 overleden schrijver,) net als in Fear and Loathing, de hoofdrol speelt. Het slechte nieuws is dat gemakkelijk het beeld kan ontstaan dat Hunter S. Thompson een van Johnny Depps gekke typetjes is. Maar het beste, en belangrijkste nieuws, is dat het een nieuwe vertaling van The Rum Diary heeft opgeleverd.

Thompson schreef de semi-autobiografische roman ergens in de jaren zestig, maar het boek verscheen pas in 1998. Het is het verhaal van Paul Kemp, die New York verruilt voor San Juan, Puerto Rico, om alle verkeerde redenen. Kemp is een drankzuchtige rondtrekkende journalist. Zijn nerveuze temperament, in combinatie met de vele rum en de niet te harden Caribische hitte, maakt hem een ongeleid projectiel. Maar in de kern deugt hij – dat hij valt voor de vriendin van een vriend, met alle bijbehorende ellende, is meer een uiting van zijn manische levenslust dan van een foute natuur.


Rum Dagboek is – ook in vertaling – een rauw, krachtig en bij vlagen hilarisch boek. Zoals altijd bij Thompson spat de agressieve energie van elke zin af, als een cocktail die uit gelijke delen afkeer en opwinding bestaat.

Hunter S. Thompson: Rum Dagboek. Vertaling: Ton Heuvelmans. Lebowski,€15. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

Koorts (1) – Saskia Noort Bonita Avenue (2) – Peter Buwalda De Nederlandse maagd (3) – Marente de Moor Het proces (4) – John Grisham De provocatie (5) – David Baldacci De vliegenvanger (re) – Ravelli 22-11-1963 (re) – Stephen King Aleph (7) – Paulo Coelho De verdovers (6) – Anna Enquist De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween (8) – Jonas Jonasson

Tussen haakjes de klassering van vorige week. Deze fictietoptien is samengesteld op basis van de verkopen bij AKO.