Clown met een missie

Veel Amerikaanse kiezers ergeren zich groen en geel aan hun blunderende presidentskandidaten en zouden het liefst stemmen op een televisiekomiek: Jon Stewart van The Daily Show. Maar die blijft roepen dat hij niets moet hebben van macht.

Stewart zit in zijn studio, een paar straten ten zuiden van Central Park in New York, en is al bijna zeven minuten aan het woord. Hij heeft de ene na de andere grap over de Amerikaanse presidentskandidaten de ether in geslingerd. Maar vanavond zijn de grappen alleen maar vulmateriaal, een aanloop naar het Grote Moment waarop hij het filmpje van de dag, van de maand, misschien wel van de hele verkiezings-campagne kan laten zien. “Op zo’n moment wacht je als komiek je hele leven,” zegt Stewart voordat het filmpje wordt gestart. “We hebben onze bestemming bereikt!”

Op het tv-scherm verschijnt de Texaanse presidentskandidaat Rick Perry, die zegt dat hij drie ministeries gaat opdoeken als hij president wordt: Onderwijs, Economische Zaken en… eh… Hij lijkt een eeuwigheid na te denken, maar de naam van het derde ministerie schiet hem niet te binnen. “Sorry,” zegt hij ten slotte. “Ik kan er niet op komen.” En na een nieuwe, even lange pauze: “Oeps.”

‘Oeps’ – dat zegt een kind dat een glas sinaasappelsap omstoot. Stewart herhaalt het woord eindeloos. “Oeps,” zegt hij, “daar gaat zijn kans op het presidentschap!” Hij vat de gnante scène samen in zijn eigen woorden, maar omdat the real thing grappiger is dan alles wat hij zelf zou kunnen verzinnen, laat hij het filmpje nog maar eens zien. Niemand is zo grappig als Perry, zelfs Stewart niet.

Het zijn vreemde tijden voor een komiek als Stewart. Tijden waarin je je afvraagt waar meer om te lachen valt: de komiek of zijn land. Drie jaar na het aantreden van Barack Obama als de eerste zwarte president van de Verenigde Staten maakt het land een verwarde en stuurloze indruk. Obama heeft veel verwachtingen niet kunnen waarmaken. Dat zou misschien ook wel te veel gevraagd zijn geweest voor één president. Amerika zoekt naar hoop, naar een alternatief. Van het politieke systeem hoeft het weinig te verwachten, want dat braakt de ene na de andere Republikeinse lichtgewicht uit.


Zoals Sarah Palin, die een jaar lang als favoriet gold, maar zich meer als entertainer gedroeg dan als politicus. Of Michele Bachmann, de lieveling van de populistische Tea Party, die aan kop ging in de peilingen totdat Newsweek een bizarre foto van haar met wijd opengesperde ogen op de cover zette. Of Rick Perry met zijn merkwaardige mengeling van poeha en onhandigheid, die er een handje van had om tijdens een debat te gaan stotteren. Hij werd afgelost door Herman Cain, de enige zwarte Republikeinse kandidaat, die als enige voordeel leek te hebben dat hij vroeger pizza’s verkocht in plaats van politieke ideeën. Ook hij moest de race staken, nadat hij door diverse vrouwen was beschuldigd van seksuele intimidatie. En nu lijkt Newt Gingrich de Republikeinse hoop in bange dagen. Ook hij is al eens kansloos verklaard, omdat hij een schuld van een half miljoen dollar zou hebben bij juwelier Tiffany’s. Toch staat hij nu bovenaan in de peilingen.

Het gestuntel van de Republikeinse presidentskandidaten heeft dusdanige diepten bereikt dat Stewart er amper woorden aan vuil hoeft te maken. Het enige wat hij hoeft te doen, is hun blunders en gestotter achter elkaar te zetten en uit te zenden. Zo wordt vanzelf duidelijk wat ze zijn: incompetente carrièrejagers.

Stewart speelt Stewart in zijn Daily Show (ook in Nederland uitgezonden door Comedy Central): de joodse Jonathan Stuart Leibowitz, geboren in 1962 en opgegroeid in Lawrence, een dorp in New Jersey. Zijn vader is natuurkundige, zijn moeder lerares. Sinds de scheiding van zijn ouders, toen hij elf was, heeft hij zijn vader niet meer gesproken. Elf jaar geleden vroeg hij zijn toenmalige verloofde ten huwelijk met een kruiswoordraadsel. Hij heeft een zoon van zeven en een dochter van vijf.


Net als de meeste Amerikanen houdt hij van zijn land. Hij kreeg er als kind van gescheiden ouders de kans uit te groeien tot een van de grootste komieken, en misschien wel degene met de meeste invloed. Hij was een discipel van Obama en stond vierkant achter hem tijdens de verkiezingscampagne van 2008. Hij was tegen de oorlog in Irak, tegen het gevangenenkamp in Guantánamo Bay en tegen de uitholling van de burgerrechten onder George W. Bush. Maar net als de meeste Amerikanen is hij teleurgesteld in Obama. Als hij zich in The Daily Show de haren uit het hoofd trekt omdat Amerika zichzelf weer eens belachelijk heeft gemaakt, staat hij model voor de gewone Amerikaan. Dat is de sleutel tot zijn succes.

Vier avonden per week kijken 2,3 miljoen mensen naar zijn show. Dat doen de politieke programma’s op CNN hem niet na. The Daily Show is weliswaar comedy, maar voor veel kijkers niettemin een belangrijke bron van politieke informatie; zij vinden dat ze in een half uur tijd beter worden geïnformeerd dan op al die 24-uurskanalen samen. Voor dertien procent van de Amerikaanse studenten is Stewarts show het favoriete nieuws-programma. Dat zegt veel over de kwaliteit van de Amerikaanse televisie, maar ook over de stemming in het land. Stewart zou makkelijk cynisch kunnen doen over wat er gaande is, maar hoe idioter het er buiten aan toegaat, hoe nuchterder hij blijft. Democraten kunnen niet meer om Stewart heen. De meeste kopstukken zijn inmiddels bij hem aangeschoven, zoals oud-president Bill Clinton, die al zeven keer bij hem te gast was, maar ook Ted Kennedy, Jimmy Carter en John Kerry. Vlak voor de tussentijdse verkiezingen van 2010 was zelfs Obama als eerste zittende president in zijn show verschenen. Geconfronteerd met de kritiek dat hij zijn beloften niet nakwam, zei Obama dat hij ‘veel had gedaan waarvan Amerikanen niets gemerkt hebben’. Stewart, met gespeelde verwondering: “Vertelt u eens wat de president van de Verenigde Staten heeft gedaan zonder dat wij het gemerkt hebben.”


Stewart verdient vijftien miljoen dollar per jaar, en van zijn satirische boeken America en Earth zijn miljoenen exemplaren verkocht. Time plaatste hem op de lijst van honderd invloedrijkste Amerikanen en The New York Times vroeg zich af: “Is Stewart de betrouwbaarste man van Amerika?” Stiekem speelt ook de hoop mee dat Stewart het land kan verlossen van de Tea Party en de Occupy Wall Street-beweging.

De fans zien hem graag live. Ze verzamelen zich onder een drie verdiepingen hoog billboard met zijn portret – als van een politicus: de handen gevouwen en de blik op oneindig. Ernaast de tekst: “For Larry Flynt’s Hustler Club, go one block down and take a right.” Wie alleen maar lol wil hebben, kan beter terecht in een stripclub, wil hij maar zeggen. Stewarts show trekt mensen die meer in hem zien dan een gewone grappenmaker. Het publiek wacht urenlang in de hoop op een last-minute-kaartje. Het zijn vooral studenten, maar ook ouderen en gezinnen, doorgaans van Democratischen huize. Iedereen wordt gefouilleerd en moet zijn mobieltje inleveren; tijdens de show mag niet worden gefotografeerd. De veiligheidsmaatregelen zijn even streng als die in Guantánamo Bay, merkte het tijdschrift Esquire fijntjes op.

“Hebt u vragen?” Voordat de uitzending begint, gaat Stewart altijd in gesprek met zijn publiek. De mensen willen van alles weten: met wie zijn kinderen spelen, naar welke tv-programma’s hij zelf kijkt, wat Amerika van andere landen kan leren. Dan staat er een jonge man op die de vraag stelt waarmee meer mensen rondlopen: “Waarom neemt u het niet op tegen Barack Obama? Wordt het niet eens tijd dat u stelling neemt?” “U moet eens naar mijn programma kijken,” antwoordt Stewart. “Daar neem ik elke avond stelling.”


Toen hij in 2010, vlak voor de tussentijdse verkiezingen, samen met collega-komiek Stephen Colbert een politieke bijeenkomst organiseerde op de Mall in Washington, leek hij even met het idee te spelen. Hun Rally to Restore Sanity was bedoeld als tegenbeweging van de Restoring Honor Rally van de ultraconservatieve presentator Glenn Beck. Even was hij niet de grapjas, maar wierp hij zich op als vredestichter. Hij hekelde de ‘zichzelf in stand houdende conflictmachine’ van opiniemakers en kabelzenders. “Als we allemaal steeds harder gaan schreeuwen,” riep hij, “horen we straks helemaal niets meer!”

Dat klonk goed, en zijn fans zouden hem graag vaker zo horen praten. Ze hopen dat hij zich meer met de politiek gaat bemoeien. Maar als hij een politieke functie aanvaardt, betekent dat het einde van het idealisme dat hij in zijn show predikt. En daarmee het einde van Jon Stewart. Dus antwoordt hij steevast als ernaar wordt gevraagd dat hij geen politieke macht ambieert.

Toen hij in september vorig jaar door het land toerde, kwamen in Bloomington, Indiana duizenden mensen naar hem luisteren. Opnieuw zei hij dingen die een politicus ook had kunnen zeggen. Hij vertelde ook hoe moedig de Amerikanen waren geweest om op Obama te stemmen: Barack Hussein Obama, wiens tweede voornaam aan Saddam Hussein en wiens achternaam aan Osama bin Laden deed denken. “Kunt u zich voorstellen dat er in de jaren veertig iemand van Franklin D. Roosevelt zou hebben gewonnen die Gaydolf Shitler heette?” De toeschouwers juichten alsof Obama zelf voor hen stond. Maar toen ze overmoedig werden en ‘boe!’ riepen toen de naam Sarah Palin viel, alsof ze op een Democratische verkiezingsbijeenkomst waren, wees hij ze terecht met een grap. “Wat hebben jullie toch?” vroeg hij, en herinnerde zijn fans eraan dat hij geen politicus is maar een komiek. “Ik heb een gezin te onderhouden. Ik heb Sarah Palin nodig.”


Der Spiegel. Vertaling: Thijs Joosten

Marc Hujer