Commie fighter

Makers van biopics gebruiken als titel vaak simpelweg de achternaam van hun hoofdpersoon. Capote, Patton, Gandhi, Basquiat, Hoffa, Ali, Nixon… Lekker bondig. En de toeschouwer weet waar hij aan toe is. Dat geldt niet voor de naam Hoover. In de de VS hebben drie mannen met die naam een plaatsje in de geschiedenisboeken veroverd. William Henry Hoover was dermate succesvol als fabrikant van stofzuigers dat zijn naam ook wel als werkwoord werd gebruikt (“I am hoovering the stairs”). Herbert Hoover was president van de VS aan het begin van de jaren dertig. En dan was er J. Edgar Hoover, die bijna een halve eeuw leiding gaf aan de FBI en zo een van de machtigste mannen van het land werd. Over hem gaat deze film.

Zelf zag J. Edgar zich als hoeder van de natie. Het bestaan van de VS werd in zijn ogen bedreigd door boeven en – nog erger – communisten, en slechts het manhaftige optreden van de FBI zou kunnen voorkomen dat die het land te gronde zouden richten. Om deze boodschap over te brengen, werd gebruik gemaakt van populaire media. In stripverhalen en films werden de moed en daadkracht van zijn G-men enthousiast bezongen. Over zijn eigen positie hoefde hij zich ondertussen amper zorgen te maken. J. Edgar beschikte over geheime dossiers van zo’n beetje iedere politicus in de VS en zou hun het leven zuur kunnen maken door informatie te lekken. Zo kon hij de FBI blijven bestieren onder acht (!) achtereenvolgende presidenten.

Zo’n sluwe, machtige, ijdele en controversiële figuur met een tragisch persoonlijk leven (hij worstelde met zijn homoseksualiteit) leent zich natuurlijk uitstekend voor een film. Veteraan Clint Eastwood (in mei wordt hij 82) heeft er een breed uitwaaierend epos van gemaakt, dat wel iets weg heeft van een geschiedenisles met lichtbeelden. De film begint met anarchistische aanslagen en de deportatie van honderden vermeende communisten. Via de Drooglegging, de arrestatie van beruchte gangsters, de ontvoering van de baby van vliegenier Charles Lindbergh en de crisisjaren belanden we in de Koude Oorlog. En via de moorden op Robert Kennedy en Martin Luther King maken we zelfs nog de aanloop naar het Watergate-schandaal mee voordat J. Edgar in 1972 de geest geeft. Ondertussen worden we bijgespijkerd over verbeteringen in de opsporingsmethoden, en uiteraard is er aandacht voor het persoonlijk leven van de hoofdpersoon.


Leonardo DiCaprio speelt zowel de jonge als de oude Hoover en doet z’n best hem zo natuurgetrouw mogelijk neer te zetten. Hij praat zelfs met diens curieuze, lijzige dictie. Op zichzelf is dat knap. Zoals ook de afdeling grime knap werk heeft verricht. Maar die hoogstandjes kunnen niet verhullen dat we na twee uur en een kwartier nog altijd geen vat op de hoofdpersoon hebben gekregen.

Biopics beperken zich de laatste jaren vaak tot één episode uit iemands leven, aangezien dat de enige manier is om een bevredigende dramatische spanningsboog te creëren. Eastwood heeft voor de traditionele wieg-tot-graf-aanpak gekozen en neemt de nadelen voor lief. J. Edgar is een goed gemaakte, ietwat wijdlopige glijvlucht door de Amerikaanse geschiedenis van de twintigste eeuw. Interessant, maar we vóelen er niets bij. Misschien zegt dat ook wel veel over J. Edgar Hoover.

J. Edgar. Regie: Clint Eastwood. Vanaf 5 januari in de bioscoop.

Erik Spaans