De steek van de keizer

Uilskuiken van de week: Jan Cremer

‘Opa, vertel nog eens over de reuring die dat boek van Jan dinges veroorzaakte.”

“Het was in het jaar 64 van de vorige eeuw, mijn jongen. Hij was een drieste knul die het liefst in een spijkerbroek op de motorfiets zat. Openlijk schreef hij over de geslachtsdaad. Luisteren naar het gezag deed hij niet. Al heel snel was zijn woonplaats Enschede te klein voor hem.”

“Ongelooflijk, opa, vertel voort.”

“Al schreef hij tamelijk beroerd, hij beschouwde zichzelf als de beste schrijver van de wereld. Hij was trots op zijn onbelezenheid. Aan schilderen deed hij ook. Verf op een doek smijten, noemde hij het zelf. Rembrandt kende hij zogenaamd niet. ‘Is dat een wielrenner?’ zei hij op televisie. Dat was me een stunt, jongen.”

De houdbaarheidsdatum van Jan Cremer mag geruime tijd zijn verstreken, Jan Cremer zelf is daar allesbehalve van doordrongen, getuige het interview met hem in het verder overigens voortreffelijke kerstnummer van dit weekblad.

In 1978 waarschuwde Jeroen Brouwers er al voor. Cremer was ‘een vervelende zeurketel, een grijzige oude jongen die trutverhaaltjes uit zijn kinder- en pubertijd opdist’. Eerder dreef Remco Campert op hilarische wijze de spot met hem in Tjeempie! of Liesje in Luiletterland (1968), waarin Cremer voorkomt als de steenrijke successchrijver Roofdier die ernstig inzit over zijn ‘immuts’, omdat na publicatie van Roofdier I de belangstelling voor zijn persoon tanende is.

Het hielp allemaal niet, de rest van zijn loopbaan is Cremer slappe aftreksels van zijn eenmalige succesnummer blijven produceren: een tweede en een derde Ik Jan Cremer-boek, een Logboek en ook nog De avonturen van Jan Cremer alsmede de Cremer Tapes en De liefdes van Jan Cremer.


“Wat ik mij weleens afvraag, is waarom niemand mij vraagt om een nieuw toneelstuk te schrijven,” zegt Cremer halverwege het HP/De Tijd-interview. Eigenlijk weet hij het antwoord al: “Het is allemaal zo’n ingeslapen zooitje op cultureel gebied in Holland.” Helemaal waar het de literatuur aangaat. “Ik vind het allemaal slappe, onleesbare, krampachtige ziekenfondsliteratuur.” Het gaat vooral over ‘allerlei ziektes en zo’. Hij, de zelfverklaarde analfabeet, kan het weten, want natuurlijk heeft hij al die Nederlandse boeken ook gelezen.

Nederlandse auteurs gooien ‘elkaar letterlijk dood met allerlei prijzen’, meent Cremer. Zelf heeft hij om een of andere reden nooit een literaire prijs mogen ontvangen, afgezien van een gemeentelijke prozaprijs in 1967 dan. In zijn vroegere woonplaats Enschede is wel een Cremer-museum gebouwd, maar dat gaat vanwege financiële tegenslag vooralsnog niet open.

“Niemand in Nederland kan zich met mij vergelijken,” vervolgt Cremer in het interview. Hij beschouwt zichzelf ‘als een Duits-Angelsaksische schrijver’. En merkt dan op: “Ik zit meer in de hoek van Kurt Malaparte, de schrijver van Kaputt.” Cremer bedoelt hier Curzio Malaparte, de Ita-liaanse grootmeester die weliswaar als Kurt Erich Suckert werd geboren en een Duitse vader had, maar wiens werk je toch onmogelijk als ‘Duits-Angelsaksisch’ kunt betitelen, wat dat verder ook moge zijn.

Nu geldt voor veel auteurs dat ze zich onmogelijk op één lijn kunnen stellen met Malaparte, maar wat mij betreft geldt dat voor Jan Cremer in het bijzonder. Cremer schrijft als een boer op klompen, grossierend in kromme zinnen, afgekloven woorden en sleetse uitdrukkingen. Van Malaparte heeft hij vermoedelijk geen letter gelezen, anders had hij geweten dat De huid, dat andere meesterwerk van Malaparte, onder meer ook gaat over ‘allerlei ziektes en zo’, te weten de pest.


“Ik was en ben iedereen altijd ver vooruit,” zegt Cremer tegen het einde van het interview. “Dat is geen grootspraak, maar een feit.” Tevens een feit is dat de grijzige oude jongen uit de typering van Brouwers thans een alzheimer-patiënt is, in de ban van zijn napoleonsteek.