Een goed gesprek met Max Westerman

Ze voldoen niet bepaald aan het standaardbeeld van app-ontwikkelaars voor iPhone en iPad. Jan Meulendijks en Bart Schuil worden volgend jaar zeventig. Allebei, zoals ze nu al 42 jaar lang alles samen doen – zakelijk en privé. Ze bouwden een media-imperium op dat decennialang de Nederlandse puzzel- en spelmarkt beheerste. Ze leverden cryptogrammen en woordraadsels aan kranten en tijdschriften, verkochten honderdduizenden puzzelboeken en maakten programma’s voor alle omroepen. Tot hun succesformules behoorden Tien voor Taal, Babbelonië, Herexamen en Puzzeluur. Jan Meulendijks was zo’n merknaam geworden dat de kopers van hun bedrijf die erbij bedongen. De naam staat nog iedere zaterdag boven de kruiswoordpuzzel van de Volkskrant. En kijk ook eens op de puzzelpagina van dit blad. “Wel een vergrootglas erbij pakken,” zegt Jan, die nog toezicht houdt op de kwaliteit van de puzzels. “Heel scheutig zijn ze bij jullie niet met de credit.”

Jullie hadden eind jaren negentig afscheid genomen van de puzzelindustrie. En nu laat je me enthousiast je eerste iPhone-spel, Cifrix, zien. Begon het weer te kriebelen?

Jan: “Ja, het was frustrerend om steeds weer geconfronteerd te worden met goede ideeën en te denken: dat hadden wij ook gekund – en beter! De app-markt biedt zo veel mogelijkheden, daar moesten we wel op inspringen. Weet je dat het succesvolste iPhone-spel, Angry Birds, al meer dan vijfhonderd miljoen keer is gedownload? Dus nu hebben we een deal met Keesing Denksport, de Telegraaf-poot die onze uitgeverij destijds heeft gekocht. Wij bedenken en maken apps, zij brengen ze op de markt.”

Jullie zijn niet opgegroeid in het digitale tijdperk. Kun je concurreren met de jonge ontwikkelaars die dat wel zijn?

Jan: “Dat we wat aan de oude kant zijn, betekent niet dat we zijn opgehouden de ontwikkelingen te volgen. We zitten overal bovenop. Ik heb net de biografie van Neelie Kroes gelezen; die is ook zeventig, maar wel één bundel energie en eurocommissaris voor digitale zaken, zoals apps.”

Bart: “Maar als je bedoelt of we kunnen concurreren met games waarbij je elkaar overhoop schiet, nee. Dat willen we ook niet. We hebben altijd de meeste voldoening gehaald uit spelletjes waar je wat van opsteekt. Met Cifrix willen we Nederland weer leren tellen. Wie ik er bijvoorbeeld mee wil helpen, is het meisje achter de kassa. Zodat zij, als ik 11 euro 10 moet afrekenen, begrijpt waarom ik haar behalve dat biljet van twintig er nog 1 euro 10 bij geef.”

We ontmoeten elkaar ver van de hun zo vertrouwde grachtengordel, in Rio de Janeiro. In een van mijn favoriete restaurants daar, Bar do Mineiro. Het gezellige eetcafé in de tegen een helling gelegen kunstenaarswijk Santa Teresa serveert het volksvoedsel uit de aangrenzende deelstaat Minas Gerais. Terwijl in Rio het strand altijd lonkt en men dus houdt van een snelle hap, is men in Minas gek op uitgebreid koken. Dus staat onze tafel algauw vol dampende schalen. Kip met polenta en ora-pro-nobis, de ‘bid voor ons’-groente die alleen in Minas verkrijgbaar is. En tutu a mineiro: varkenskarbonades met een op gesmolten chocolade lijkende bonensmurrie en groene kool.


Wat doen jullie eigenlijk in Rio?

Jan: “We wilden na die geweldige zomer in Nederland nog even naar de zon. Dus zitten we hier al een week in de regen.”

Bart: “Maar wel bij een fijne temperatuur. Bovendien gaan we onze vriend Jos Boomgaardt bezoeken. Hij begon ooit het eerste Thaise restaurant in Amsterdam. Hij is getrouwd met een Braziliaanse man en samen hebben ze een paar uur hier vandaan een prachtige vivenda, Les 4 Saisons, een restaurant-hotel van wereldklasse midden in de natuur.”

Jullie eigen relatie is bijna legendarisch. Gerard Cox noemde jullie ooit ‘het gelukkigste huwelijk in Hilversum’.

Bart: “Ja, menigeen in de televisiewereld ging scheiden en wij bleven samen. We hebben echt weleens ruzie gehad, maar nooit zo erg dat een van ons kwaad wegliep en de nacht elders doorbracht.”

Was het niet lastig, die combinatie zakelijk en privé?

Jan: “Nee hoor, ik heb altijd mijn zin doorgedreven.”

Bart: “Ja? Ach, ik heb hem inderdaad altijd het idee gegeven dat hij zijn zin kreeg.”

In Amsterdamse homokringen worden jullie wel ‘de spelletjesnichten’ genoemd. Stoort zo’n bijnaam je?

Bart: “Nee hoor, nicht is een geuzennaam. Hoewel ik flikker beter vind.”

Jullie zijn pas vier jaar geleden getrouwd, terwijl het homohuwelijk in Nederland al sinds 2001 bestaat. Waarom zo lang gewacht?

Jan: “We vonden het niet zo belangrijk, maar we wilden wel de mensen steunen die zich ervoor hadden ingezet.

Bart: “Bovendien kwam de ChristenUnie in de regering. Die vindt dat wij niet het recht mogen hebben om te trouwen. Ik vond dat die orthodoxe christenen net als de islam te veel invloed kregen.”


Heeft het huwelijk voor jullie iets veranderd?

Bart: “Ja, ik draag nu een ring.”

Hoe hebben jullie elkaar eigenlijk ontmoet?

Jan: “Op een avondje van het COC in 1969. Het was direct zo raak dat ik mijn toenmalige relatie heb afgebroken. Bart zegde zijn baan op; hij trok bij me in en samen gingen we de boer op met puzzels en quizzen.

“Ik had het maken van kruiswoordpuzzels geleerd op de redactie van De Geïllustreerde Pers, uitgever van bladen als Margriet, Revue en Avenue. Bij mijn vertrek gaven ze mij mijn eerste contract als zelfstandig leverancier: voor zeventienduizend gulden per jaar. Een godsvermogen indertijd, ik heb direct een sportwagen gekocht. De volgende opdracht kwam van de TROS, voor de quiz Zevensprong.”

Bart: “Nee, lieve schat, je kreeg eerst nog de quiz voor autorijdende echtparen.”

Jan: “O ja: Rij jij of rij ik.”

Jullie deden toen wat John de Mol nu doet.

Jan: “Ja, we waren de eerste onafhankelijke tv-producent. Maar het ging toen natuurlijk om heel andere bedragen. En we hadden geen concurrentie. De omroepen zaten te schreeuwen om materiaal. En in het land der blinden waren wij eenoog. Puzzeluur, gepresenteerd door Jos Brink, was in wezen niets meer dan vier mensen die rond een tafel zaten te puzzelen. Maar het was nog niet eerder vertoond. We wonnen er meteen de Televizierring mee.”

Een van jullie grootste succesformules was ‘Babbelonië’, hoe ontstaat zoiets?

Bart: “Heel simpel. Ik zat in de wachtkamer bij de tandarts en hoorde alleen maar flarden van zinnen om me heen. Ik dacht: leuk programma, raden waar ze het over hebben. We hebben het aan veel landen verkocht.”


Daar hebben jullie zelf ook weer veel succesformules weggehaald. Jullie hadden de rechten op bijna alle Amerikaanse hits: ‘Prijzenslag’, ‘Prijs je rijk’, ‘Vijf tegen vijf’, ‘Wie van de drie’. Hoe had je die in handen gekregen?

Jan: “Door de Amerikanen erop te wijzen dat hun ideeën in Nederland op grote schaal werden gejat. Ik ben in Hollywood op bezoek gegaan bij Mark Goodson en Bill Todman, toen de godfathers van de televisie-spelindustrie. Ze zeiden: ‘Die Nederlandse markt interesseert ons niet, we hebben Wie van de drie ooit verkocht aan de AVRO, maar die heeft maar zes afleveringen gemaakt en is er toen mee gestopt.’ Toen heb ik ze verteld dat het programma intussen al tien jaar op de buis was. Maar ja, wie keek er nou naar de Nederlandse tv?”

Dus de omroepen konden ongestraft op rooftocht:

Jan: “Tot wij allerlei rechten begonnen op te kopen wel. Producent Jos van der Valk van de KRO had een zus in Amerika. Zij nam de hele dag programma’s op en stuurde de banden linea recta naar haar broer.”

Bart: “De Berend Boudewijn Show is zo tot stand gekomen.”

Hoe zou je het omroepwereldje waarin jullie zo lang actief waren, omschrijven?

Jan: “Uit het oog, uit het hart. De enige met wie we nog contact hebben, is Fred Oster, die ons bij de AVRO geweldig heeft geholpen. Veel van de sterren met wie we werkten, zijn intussen overleden: Jos Brink, Willem Duys, Pim Jacobs, Loes Haasdijk, Willem Ruis. Met die laatste konden we aanvankelijk niet overweg. Hij was God bij de VARA. We hadden De Sterrenshow voor hem bedacht, die hij moest presenteren in een rondreizende circustent. ‘Wat?’ zei hij, ‘ik, in een tent? Van mijn levensdagen niet!’ De Willem Ruis Show werd een enorme hit. Toen de VARA om te bezuinigen de tent op één locatie wilde vastpinnen, maakte Ruis opnieuw stampij.”


Hoe bedreven de twee ook waren in het vastleggen van formatrechten, het ging toch weleens mis. RTL4 plagieerde Babbelonië met Wie ben ik? En producent Harry de Winter kaapte de rechten van Lingo voor hun neus weg. Meulendijks had het spel in Amerika ontdekt en aan de VARA gepresenteerd. Hij beschuldigde De Winter al eens van ‘oneerlijk zakendoen’, maar laat die ‘ouwe koeien’ nu liever met rust, zegt hij. “Mijn adagium is: nooit omzien in wrok, alleen in verwondering. Met zo’n monsterproductie als Lingo erbij was ons leven misschien heel anders gelopen.”

Bart: “Misschien meer geld, maar een minder leuk leven.”

Ach, nog meer geld, wat moet je ermee? Ik mag toch aannemen dat jullie er ook zonder Lingo warmpjes bijzitten.

Jan: “Laat ik het zo zeggen: we ontwikkelen nu geen apps omdat we op zwart zaad zitten. We hebben eind jaren negentig onze bedrijven goed verkocht. De tv-poot aan Endemol, de uitgeverijtak aan Keesing. Maar we gaan zorgvuldig om met wat we door hard werken hebben verdiend. En we proberen ook wat terug te doen voor de maatschappij.”

Zoals?

Bart: “We hebben een van de mooiste panden aan de Herengracht, het Staetshuys, in zijn oude glorie hersteld. Daar genieten we zelf van, maar we delen het ook met anderen. We organiseren er allerlei evenementen, zoals concerten met jong operatalent. Voor die talenten hebben we ook een steunfonds opgezet. Op 10 februari organiseren we weer een benefietgala met onder anderen ’s werelds grootste sopraan, Eva-Maria Westbroek.”

Dus net als Joop van de Ende hebben jullie je na een carrière in het amusement ontpopt tot beschermheiligen van de hoge kunsten?


Jan: “We willen ons absoluut niet vergelijken met een mecenas als Joop. Maar net als bij hem reikt onze culturele smaak verder dan alleen spelletjes. Al zolang ik Bart ken, reizen we de wereld af om opera’s te zien. We zijn ook eigenaar van een antiekwinkel. Die wordt gerund door mijn broer en samen met hem jaag ik op leuke objecten.”

En Bart, jij doet achter de schermen mee in de politiek?”

“Ik ben op lokaal niveau niveau bezig geweest voor de VVD. Daar ben ik onlangs mee opgehouden. De Amsterdamse VVD is al linkser dan de landelijke en nu genieten ze te veel van het pluche dat ze met de PvdA delen. Maar gelukkig hebben we sinds kort een nieuw raadslid, Maurice Piek, wiens denkwijze meer met de mijne overeenkomt.”

Wat zou je de VVD graag zien doen?

“Bijvoorbeeld ervoor zorgen dat de fiets niet meer nummer één staat in deze stad.”

Jan: “Mag ik even inbreken, ik vind de fiets de grootste terreurorganisatie in Amsterdam.”

Terreurorganisatie?

“Dat zijn toch de termen die we nu gebruiken in de politiek? Fietsers en ook scooters zijn straatterroristen. En het ergst zijn die vrouwen met een telefoon aan het oor en een kind voorop die door rood rijden. Ze hebben zelfs de gotspe om over het trottoir te fietsen en dan te bellen: hup, aan de kant jullie! Het aantal fietsen in Amsterdam is in tien jaar verdubbeld. De stad verzuipt erin. Onze prachtige bruggen zijn verborgen achter een dikke laag schroot. Wat mij betreft mogen ze Amsterdam fiets-, auto- en scootervrij maken. Net als Venetië. De binnenstad is prima bereikbaar per openbaar vervoer.”


Bart: “Het ergst zijn de bakfietsen. Ze nemen evenveel ruimte in als een auto, maar betalen geen parkeergeld. Dat zou de VVD harder moeten aanpakken, maar dat doen ze niet, want ze zijn bang dat ze dan stemmen verliezen.”

Goed, dat lucht op, nietwaar? Wat vonden jullie van de maaltijd?

Bart: “Moeders keuken, maar dan op z’n Braziliaans.”

Jan: “Dit is eerlijk eten!”

Jullie genieten van het leven en hebben meer geld dan je kunt opmaken. En toch maak je weer spelletjes…

Jan: “Het is geen heilig moeten meer. We hoeven niet om acht uur naar kantoor. We doen aan de keukentafel wat we altijd al leuk hebben gevonden.”

Bart: “We willen midden in het leven blijven staan – voorkomen dat er geraniums voor de ramen gaan groeien.”