Levchenko’s pupillenjaren: ‘Het was net oorlog’

Voordat Evgeniy Levchenko (1978) naam maakte als voetballer, beleefde hij gewelddadige tijden in zijn geboorteland Oekraïne. Aan de hand van een foto met de voetbalvrienden uit zijn jeugd blikt hij terug. ‘Vaak dacht ik: neergestoken, maar niet dood? O, dan valt het mee.’

Dit is het jeugdteam van profvoetballer Evgeniy Levchenko. Drieëntwintig jongens van rond de twaalf jaar oud uit het industriestadje Kostjantynivka in de toenmalige Sovjetrepubliek Oekraïne. De jongens weten het nog niet, maar hun leven staat op het punt drastisch te veranderen. Over een jaar is de Sovjet-Unie verdwenen, zijn de fabrieken in hun woonplaats gesloten en hun ouders hun baan kwijt. Ze gaan drinken, zien geen toekomst meer. Deze jongens staan aan de vooravond van jaren van geweld en ellende.

Inmiddels zijn de gelukkigen fabrieksarbeider. Maar de meesten van deze groep jongens, nu begin dertig, zijn aan de drank of drugs. Ze zitten in de gevangenis. Of ze zijn dood. Slechts een enkeling wist zich aan het barre bestaan te ontworstelen. Zoals Levchenko, de lange jongen helemaal achteraan in het donkere T-shirt.

“De jongen met het geruite overhemd heet Valera. Hij was niet de slimste van het stel, maar wel heel aardig. Hij maakte altijd sarcastische grappen. De laatste keer dat ik hem zag, drie jaar geleden, herkende hij me niet meer, zo erg was hij aan de drugs. Ik kwam hem op straat tegen in Kostjantynivka. Hij was broodmager. Zijn gezicht zat onder het eczeem. Ik probeerde met hem te praten, over vroeger. Hij zei steeds ‘Ja ja ja’, maar het was duidelijk te merken dat ik niet tot hem doordrong. Ik vond het heel erg om Valera zo te zien. De aderen in zijn armen waren zo kapot dat hij daar niet meer spuiten kon. Dus spoot hij in zijn benen en in zijn liezen. Of hij nog leeft, weet ik niet.


“Wij waren onbezorgde kinderen. We dachten nergens over na, we waren alleen maar aan het voetballen. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Toen ik acht jaar was, kreeg ik mijn eerste voetbal, van leer. Dat was heel bijzonder: bijna niemand had een leren bal. Een eigen bal betekende zo veel voor mij, dat kan ik niet eens beschrijven. Mijn ouders hadden weinig geld. In de zomer aten we groente en in de winter macaroni. Vlees kregen we af en toe van mijn opa. Die woonde op het platteland en slachtte soms een varken of een kip. Eigenlijk was er helemaal geen geld voor een bal. Hij was wit met blauwe vlekken en gemaakt in Kiev. Ik weet nog precies hoe hij rook: naar gebleekt leer. Toen ik hem net had, speelde ik er alleen maar binnen mee. Ik wilde niet dat hij kapot ging of vies werd. Ik nam hem zelfs mee naar bed. Misschien is Tuscan Leather van Tom Ford daarom mijn lievelingsparfum. Dat ruikt naar mijn eerste bal.

“Na schooltijd ging ik altijd naar het stadion, samen met Aleksandr. Dat is de jongen die rechts voor mij staat. We zaten op dezelfde school, hij was een van mijn beste vrienden. Aleksandr kon verschrikkelijk hard rennen, maar hij had niet echt hersenen. Hij woont nu in Spanje en heeft daar een bouwbedrijf. Met hem is het dus best goed gekomen, al heeft hij veel nare dingen meegemaakt. Toen hij een jaar of twintig was, is hij ontvoerd door een bende onder leiding van de jongen met de witte schoenen die vooraan zit. Die heet ook Aleksandr. Ze hebben hem de stad uit gereden. Daar hebben ze hem in elkaar geslagen en bedreigd, met een pistool tegen zijn hoofd. Ik denk dat het om af-persing ging.


“De Aleksandr met de witte schoenen en ik waren niet de beste vrienden, maar ik mocht hem omdat hij goed kon voetballen. Hij had een vlotte babbel en was grappig. Een mooie, sympathieke jongen, een echte womanizer. Toen ik een paar jaar geleden tijdens een bezoek aan Kostjantynivka wat zat te drinken in een café, kwam hij binnen. Iedereen versteende. De mensen waren doodsbang voor hem. Ik vroeg waarom iedereen zo reageerde. Aleksandr lachte en maakte er grapjes over. Hij zei: ‘Jij bent lekker aan het voetballen en ik doe andere dingen.’ Ik begreep meteen wat hij bedoelde en vroeg niet verder. Inmiddels zit hij in de gevangenis. Hij blijkt een van de grootste criminelen van de regio te zijn. Toen het hem te heet onder de voeten werd, is hij naar Zweden gevlucht. De autoriteiten daar hebben hem opgespoord en uitgeleverd. Het stond in alle kranten.

“Onlangs belde Aleksandr me via Skype vanuit de gevangenis. Met de camera op zijn computer gaf hij me een rondleiding: hier is mijn bed, hier maken we eten. Hij was best trots op hoe goed hij het had in de gevangenis – beter dan veel andere gevangenen. Ik heb het niet rechtstreeks gevraagd, maar uit zijn woorden kon ik wel opmaken dat hij mensen heeft vermoord. En hij perste mensen af. Hij had veel macht. Ik weet zeker dat het er hard aan toe ging.”

“Ik woonde met mijn ouders en mijn zus in een tweekamerappartement van dertig vierkante meter. We hadden wel een toilet en een badkamer, maar geen warm water. In de winter was het er steenkoud. We zaten altijd met z’n vieren in ons keukentje van zeven vierkante meter. Zelfs met alle gaspitten open en heel dikke kleren aan hadden we het nog koud. Het liefst dook ik in bed, tussen de koude lakens, die dan vanzelf warm werden. Heerlijk. Als het koud is, kruip ik nog steeds liever onder een dekentje dan dat ik de verwarming hoger zet.


“Met de val van de Sovjet-Unie begon de ellende pas echt. Aanvankelijk was iedereen euforisch: eindelijk waren we van Rusland af. Maar de herverdeling van de macht haalde het slechtste in mensen naar boven: velen probeerden met duistere handeltjes zo snel mogelijk rijk te worden. De mensen die het land moesten besturen, dachten alleen maar aan zichzelf. Het werd een wild wild west. Er werden veel mensen doodgeschoten. Mijn moeder wilde niet dat ik op straat rondliep. Het was veel te gevaarlijk. Maar ik wilde voetballen, dus ik ging toch.

“Als het in Oekraïne niet goed gaat, gaan de mannen drinken. Wodka, maar ook een dubbel zo sterke, zelfgestookte drank: samogon. Veel mensen gingen dat verhandelen om toch maar een beetje geld te verdienen. Mijn oma stookte ook samogon. Veel mannen werden agressief van de drank. Ze sloegen hun vrouw en kinderen. Mijn vader dronk ook, maar hij werd juist lief en klef als hij te veel op had. Gelukkig maar.

“De kleinste jongen op de achterste rij, in het donkere T-shirt met een wit rond halsje, is Sergej. Ik had weinig contact meer met hem, maar wist wel dat hij het moeilijk had. Hij was ook drugsverslaafd. Een paar jaar geleden heeft hij zichzelf opgehangen.”

“Toen ik dertien was, mocht ik naar selectiewedstrijden voor het sportinternaat in Donetsk. Dat was de droom van iedere jongen. Het was onze enige uitweg uit de ellende. Dat voelde ik toen al heel duidelijk: ik zag mijn vader, ik zag de mensen op straat. Ik zag dat er geen toekomst was. Er deden tweehonderd jongens mee. Van hen werden er 25 toegelaten. Dat kreeg je niet meteen te horen; je moest twee weken wachten op een brief. Ik herinner me nog heel goed dat ik zo waanzinnig blij was, dat ik met mijn bal onder de arm langs alle jongens in de buurt rende om hun het goede nieuws te vertellen.


“Het internaat bleek een verschrikking. Het was groot, grauw en vies. Overal liepen kakkerlakken. We sliepen met vier jongens op een kamer die veel te klein was. Het eten was slecht en smerig, en er was altijd te weinig. De soep stonk zuur, we kregen kapotgekookte rijst en vlees was er bijna nooit, terwijl je dat wel nodig hebt als je in de groei bent en zo veel sport. Ook de kleding die we kregen, was slecht. De schoenen gingen meteen kapot, terwijl je er een heel jaar mee moest doen.

“Maar het zwaarst was het samenleven met de andere sporters. Er zaten niet alleen voetballers op het internaat, maar ook zwemmers, turners, worstelaars, boksers. Het gebouw waarin we sliepen had veertien verdiepingen. Links sliepen de meisjes, rechts de jongens. Op elke verdieping was een oud vrouwtje dat toezicht hield. De boksers en worstelaars trokken zich niets van hen aan; zij waren de baas. Ze persten iedereen af en verkrachtten de meisjes. De leiding stopte alle incidenten in de doofpot, omdat ze zelf ook bang waren voor de boksers en worstelaars, en omdat ze de naam van het internaat hoog wilden houden.

“Ik ging samen met Maksim naar het internaat. Hij is de kleine jongen die links naast mij staat, met het witte kraagje. Hij was een van mijn beste vrienden en een heel talentvol voetballertje. Hij heeft het niet gered. Hij was een heel vrolijke jongen, lachte altijd. En Maksim was eigenzinnig. Dat vond ik juist leuk aan hem, maar op het sportinternaat werd dat niet geaccepteerd. Ze vonden hem een mafkees en maakten het hem zo moeilijk dat hij uiteindelijk is vertrokken. Ik was ook eigenzinnig, maar ik kon me beter aanpassen dan Maksim. Ik leerde altijd op mijn hoede te zijn en mensen razendsnel in te schatten. Ik was redelijk groot voor mijn leeftijd en werd meteen aanvoerder van ons voetbalteam. Dat was mijn redding. Ze hadden respect voor mij. Ik ben nooit in elkaar geslagen, maar wel vaak bedreigd.


“Als meisjes niet wilden neuken, werden ze aan hun voeten uit het raam van de veertiende verdieping gehangen, net zo lang tot ze wel wilden. Af en toe werd er iemand neergestoken. Het was eigenlijk net als in een oorlog: op een gegeven moment wen je aan al dat geweld. Ik besefte pas achteraf hoe erg het eigenlijk was. Vaak dacht ik: neergestoken, maar niet dood? O, dan valt het mee. Het had, denk ik, ook met mijn leeftijd te maken: natuurlijk raakten de dingen die ik daar meemaakte me, maar doordat ik zelf nog niet zo ontwikkeld was, kon ik me er goed voor afsluiten. Ik zat voor mezelf op dat internaat, ik wilde het redden en dan moest ik me niet te veel met anderen bemoeien. Voor je het wist was je zelf de pispaal of erger, werd je door de leiding weggestuurd.

“Dat gebeurde bijna toen ik verliefd werd op een tafeltennisster. Ik was bij haar op de kamer toen een van de boksers langskwam. Een beer van een vent, hij kon nauwelijks door de deur. En hij was dronken. Ik was dan wel lang, maar ook heel dun. Ik wist dat ik hem niet aankon. Hij zei: ‘Wat moet je hier?’ Ik antwoordde: ‘Dit is mijn vriendin.’ Hij reageerde: ‘Kan me niet schelen, ze is voor mij.’ Ik probeerde hem weg te duwen, en wonder boven wonder vertrok hij zonder iets te doen. Eigenlijk moest ik volgens de regels om tien uur terug op mijn eigen kamer zijn. Maar mijn vriendinnetje was erg van streek en bang dat de bokser terug zou komen als ik weg was. Dus ben ik bij haar blijven slapen.

“De volgende dag moest ik bij de leiding verschijnen. Ik had als aanvoerder van mijn team een voorbeeldfunctie, zeiden ze. Omdat ik de regels had overtreden, wilden ze me van het internaat sturen. Ik legde uit waarom ik bij het meisje was gebleven, maar dat maakte geen indruk. Toen is mijn trainer voor me in de bres gesprongen. Hij zei: ‘Ik wil dat hij blijft.’ Ondanks dat het een slappe, oude trainer met een drankprobleem was, wist hij de leiding te overtuigen. Dat is achteraf een van de belangrijkste momenten in mijn leven geweest. Als ik toen was weggestuurd, dan was ik waarschijnlijk ergens in een fabriek terechtgekomen. Ik was in elk geval nooit voetballer geworden. Ik ben er mijn trainer nog steeds ontzettend dankbaar voor.”


“Toen ik Maksim jaren later terugzag, bleek hij enorm verbitterd dat ik het wel als voetballer had gered en hij niet. Er was er niks over van de vrolijke jongen van vroeger. Hij was schuw, gesloten, had zich teruggetrokken in zijn eigen wereld. Hij vertelde dat hij in het leger had gezeten en dat hij het daar verschrikkelijk had gehad. Wat er met hem was gebeurd, wilde hij niet zeggen. Sommige mannen worden helemaal kapot gemaakt in het leger: in elkaar geslagen en verkracht. Ik denk dat dat ook met Maksim is gebeurd. Ik vond het heel moeilijk hem zo te zien. Het leger is nog veel harder voor hem geweest dan het sportinternaat.

“Van de 25 jongens uit mijn jaar ben ik de enige die het als voetballer gered heeft. Na twee jaar op het internaat in Donetsk ben ik op een nacht stiekem weggegaan, met de trein naar Moskou. Voetbalclub CSKA Moskou had belangstelling voor me. Maar omdat het internaat bij Sjachtar Donetsk hoorde, zouden ze me niet zomaar naar Moskou laten vertrekken. Na een paar dagen meetrainen met het tweede team bood CSKA me een contract aan. Het werd een hele rel in Donetsk.

“Vanaf toen werd alles beter. In Moskou kwam ik weer op een internaat terecht, maar dat was veel kleiner. We kregen goed te eten, het was er schoon en ik kreeg eindelijk goede voetbalschoenen. Vanaf mijn zestiende kreeg ik ook een salaris. En toen ik zeventien was, kon ik in Nederland gaan voetballen, bij Vitesse. Ik moest er heel erg aan wennen dat de mensen in Nederland zo open zijn. Op het internaat had ik geleerd mijn gevoelens nooit te tonen om niet kwetsbaar te zijn. Ik vond het onbegrijpelijk dat mensen in Nederland zo onbezorgd met elkaar konden praten en lachen. Van nature ben ik niet gesloten; de omstandigheden hebben me zo gemaakt. Ik moest mezelf weer terugvinden. Dat heeft jaren geduurd. Langzamerhand sleten de harde gevoelens in me. Maar op mijn hoede ben ik onwillekeurig nog altijd.


“Op de onderste rij zitten twee jongens met hetzelfde T-shirt aan. De rechter is Vasili. Hij zit ook in de gevangenis. Dat heeft zijn zus me verteld. Waarvoor hij vastzit, wil ze niet zeggen. Ik heb hem een paar keer een briefje geschreven. Vasili’s zus vertelde dat mijn berichtjes een strohalm voor hem zijn. Je begrijpt niet hoe trots die jongens zijn dat ze met jou hebben gevoetbald, zei ze. Ik ben zo bevoorrecht. Als voetballer heb ik een relatief makkelijk leven. Het had maar een heel klein beetje anders hoeven lopen of ik had in hetzelfde schuitje gezeten als zij. Als ik Oekraïne bezoek, realiseer ik me elke keer weer dat ik echt nergens over mag klagen.”

Marijn de Vries