Lang en gelukkig

Ouderdom heeft niet bepaald een positief imago. We associëren de laatste levensfase vooral met lichamelijk ongemak, nutteloosheid, haarverlies en rollatorgebruik. Toch blijft het verbazingwekkend hoe sommige mensen zich tegen ouder worden verzetten. Uren kunnen ze klagen over een rimpel, een paar kilo’s te veel of een iets lager tempo bij het wandelen. Het enige alternatief is jong doodgaan, maar dat willen die mopperaars gek genoeg ook weer niet. In sommige opzichten kan het best prettig zijn om ouder te worden. Weten hoe het leven gelopen is doordat het voor een groot deel achter je ligt, verlost een mens van een hoop onzekerheid. Ook helpt levenservaring vaak bij het ontwikkelen van een sterke identiteit. Onze levensverwachting blijft stijgen. Dat lijkt bemoedigend, maar we zijn bang voor de consequenties. En hebben de neiging te denken dat die extra tijd pas ná ons werkzame leven begint, in plaats van ons neer te leggen bij langer doorwerken en te zoeken naar een andere tijdsindeling. Waarom blijven mensen bang voor ouder worden? En kunnen we er niet anders mee omgaan?

“Ouder worden is een proces dat we, als het goed is, allemaal meemaken. Maar er zijn allerlei maatschappelijke ontwikkelingen waardoor we anders – en vaak negatief – tegen ouderdom aankijken. Ten eerste worden mensen sterk beoordeeld op hun uiterlijk, en de mate waarin ze aan een jong ideaalbeeld voldoen. Ik ken mensen met veel rimpels die heel interessant zijn, maar ze moeten wel enorm sterk in hun schoenen staan om dat te bewijzen. Doordat we ons leven kunnen leiden op een zelfgekozen manier, denken we dat we ook ons uiterlijk helemaal kunnen vormgeven, maar dat blijkt toch minder maakbaar.

“Ten tweede zijn prestaties en productiviteit belangrijke graadmeters geworden voor iemands ‘waarde’. Veel ouderen die niet meer werken en van wie de kinderen het huis uit zijn, worden geconfronteerd met een leegte. Dan rijzen er existentiële vragen: hoe kan ik me nu ontwikkelen? Wat voor maatschappelijke rol heb ik? Wie daar moeite mee heeft, moet zich realiseren dat aan ontwikkeling en het verwezenlijken van doelen geen leeftijdsgrens zit. Toch is dat makkelijker gezegd dan gedaan; het hangt ook gedeeltelijk af van hoe de samenleving ernaar kijkt.”

“Om een goede houding te ontwikkelen tegenover ouder worden, is het belangrijk om te begrijpen wat dat eigenlijk is. We denken vaak alleen aan kalenderleeftijd, maar die betekent eigenlijk niet zo veel. Ouder worden is een combinatie van sociale, cognitieve, fysieke en psychische veranderingsprocessen.

“Allereerst hebben mensen een psychosociale leeftijd. Voel je je oud of jong, en hoe kijken anderen daartegenaan? Ten tweede is de functionele leeftijd relevant. Hoe gezond ben je, en kun je nog werken? In de derde plaats hebben mensen een leefsituatie-leeftijd: je voelt je ouder of jonger al naar gelang je thuissituatie of economische positie. Ten slotte kun je mensen een organisatie-leeftijd toekennen: het aantal jaren dienstervaring en de expertise in een vak.


“In zekere zin is het logisch dat mensen bang zijn voor ouder worden: je komt dichter bij de dood en hebt meer kans om afhankelijk te worden. Maar we hebben te vaak een schrikbeeld voor ogen, van een hoogbejaarde zieke. Er ís wel achteruitgang, met name lichamelijk en in de fluid intelligence, de snelheid waarmee we iets nieuws aanleren. Toch zijn ouderen vaak heel inventief met het compenseren van hun beperkingen. Hun ervaring is groot, ze hebben in de regel meer geduld, meer diplomatieke vaardigheden, kunnen hun emoties beter reguleren en zijn stressbestendiger.

“Negatieve stereotypen maken dat mensen bang worden en veel negatiever denken over oud worden dan nodig is. Onze angst is maar gedeeltelijk gegrond. Er zijn ook prettige veranderingen, die je óók kunt benadrukken.”

“Een van de bekendste klassieke traktaten over dit onderwerp is De senectute – ‘Over ouderdom’ – van Cicero. Toen hij het schreef, was hij 62 en politiek uitgerangeerd. Hij probeerde zichzelf er bijgevolg van te overtuigen dat de ouderdom een heerlijke periode is.

“Er worden altijd vier argumenten aangevoerd waarom oud worden niet leuk is. Ten eerste zorgt het ervoor dat je je gebruikelijke activiteiten niet meer kunt uitvoeren. Je lichaam verzwakt. Je kunt minder genieten van een goede maaltijd of van seks, en ten slotte sta je dichter bij de dood. Deze vier argumenten weerlegt Cicero bij monde van Cato, een van de personages in De senectute.

“Maar ook al werk je niet meer, je kunt je nog steeds nuttig maken, bijvoorbeeld als politiek adviseur. Lichamelijk verval is maar betrekkelijk: kijk naar krasse oudjes tegenover zieke jongeren.


“Als derde contra-argument vertelt Cicero een anekdote over de tragediedichter Sophocles. Toen hem op latere leeftijd werd gevraagd of hij het niet erg vond dat hij niet meer aan seks kon doen, antwoordde hij: ‘Ik ben blij dat ik van die tiran verlost ben!’ Minder geleid worden door verlangens schept ruimte en rust in je hoofd. En over de dood zegt hij dat iedereen op elk moment kan sterven, en dat dat niets ergs is.

“Teksten als die van Cicero zijn zo contextbepaald en zo makkelijk weerlegbaar dat je er nu niet veel aan hebt als je bang bent voor veroudering. Je hebt er veel meer aan om in omgevingen te verkeren waar mensen van allerlei leeftijden door elkaar heen lopen en met iedereen te praten. Zo kun je je erbij neerleggen dat het leven verschillende fases kent en eindig is.”

Isabelle Buhre