Opstandige Hongaren

Het lijkt onwaarschijnlijk dat het land der Magyaren een nieuwe dictatuur wordt.

Als het oproer kraait, kraait het overal. Afgelopen jaar zagen we opstanden in de Arabische wereld, jongerenprotest in Madrid, anarchie in Athene, Occupy Wall Street, demonstraties in Moskou. Zelf was ik in oktober in Boedapest, waar niets aan de hand leek. Maar als het in Europa rommelt, zoals in de revolutiejaren 1849, 1919 en 1989, en in het roerige jaar 1956, gaat dat nooit aan de Magyaren voorbij. En zie: begin januari waren tienduizenden Hongaren op de been om te demonstreren tegen de nationalistische regering van Victor Orbán, ooit een anticommunistische activist, die ervan wordt verdacht met grondwetswijzigingen een autoritair bewind te vestigen. Dat kan hij doen omdat zijn rechtse Fidesz-partij sinds de verkiezingen van 2010 over een tweederde meerderheid beschikt.

Het broeit al langer in Hongarije. In 2006 kwam premier Ferenc Gyurcsány in opspraak, omdat zijn sociaal-democratische partij, de opvolger van de oude communisten, stelselmatig had gelogen over de toestand van de economie, die veel te rooskleurig was voorgesteld. Dat was drie jaar voor het bedrog van Griekenland. Gyurcsány bleef aan, maar zijn wanbestuur legde de basis voor de overwinning van Fidesz. Inmiddels staat het land voor een bankroet en is het aangewezen op steun van het IMF. Dan komt het slecht uit dat Fidesz de onafhankelijkheid van de nationale bank heeft opgeheven. Op last van de nationale mediaraad werd ook een oppositioneel radiostation gesloten, volgens critici het laatste vrije.

Hoe ernstig de situatie werkelijk is, ontgaat mij eerlijk gezegd. Het zal best dat Fidesz rekeningen wil vereffenen, maar ook de tegenstanders lijken niet vrij van overdrijving. Zij vrezen een terugkeer naar communistische dictatoriale praktijken, een vreemd verwijt van links aan een rechtse regering. Ook zijn er klachten over een wet die nog maar veertien religieuze gemeenschappen erkent. Hindoes, boeddhisten en moslims komen niet voor staatssteun in aanmerking, maar katholieken, protestanten, orthodoxen en joden wel. Gezien het antisemitisme waar Hongarije berucht om is, lijkt me het laatste het belangrijkste. De synagoge in Boedapest, de grootste van Europa, herinnert aan Theodor Herzl, grondlegger van het zionisme, en de Holocaust. Het wemelt er van de toeristen, vooral Amerikanen, in Hongarije populair. In Boedapest staat een beeld van Ronald Reagan, niet ver van dat van Imre Nagy, de communistische partijleider en held van de Hongaarse opstand, die in 1956 verzet aantekende tegen Moskou. De stad staat vol met vrijheidsbeelden, middeleeuwse en eigentijdse.


Hongarije is zo’n land waar niets is wat het lijkt. Een groter parlementsgebouw dan dat in Boedapest, voltooid in 1902, is er niet, maar een democratie was Hongarije meestal niet. De opera mocht niet groter worden dan die in Wenen, maar hij is wel mooier. Boedapest is een stad van façades, maar op het Heldenplein staan ook musea met Europese topkunst die je in Amsterdam niet vindt. Weinigen weten dat Boedapest in de tweede helft van de negentiende eeuw na Berlijn de snelst groeiende stad van Europa was en de modernste infrastructuur van die tijd had. Tragisch is dat toen de stad net klaar was en tot volle bloei leek te komen, de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Daarna verloren de Hongaren tweederde van hun grondgebied en bleef een mokkend landje over. Maar het restant was ook minder Balkan en Boedapest behield zelfs in donkere dagen iets van zijn Midden-Europese grandeur. Het is nog steeds een aangename stad. Dankzij het ‘goelasjcommunisme’ werd Hongarije de vrolijkste barak van het Oostblok, en in 1989 knipte het met Oostenrijk het IJzeren Gordijn door.

Gezien die geschiedenis kan ik me niet voorstellen dat Hongarije werkelijk een nieuwe dictatuur in het hart van Europa wordt. Een ‘nepdictatuur’ (‘nep’ betekent ‘volks’ in het Hongaars) dekt de lading beter, al is dat in een regio waar net de grote intellectueel Václav Havel ten grave is gedragen ook geen beste beurt. Maar er is mee te leven, opstandig of niet.