Ex-ex-sporter

Elke week een artikel in zijn geheel op de site. Deze week de column van Frank Heinen.

Weinig mooier dan de sportcomeback. De oude crack die zich nog één keer boos maakt, de stramme spieren losgooit en het tegen beter weten in probeert. Waarom kunnen ze ons niet gewoon met rust laten en ons laten mijmeren over hun ongewisse lot, zoals oud-politici, oud-filmsterren of ex-tv-sterren dat doen? Misschien hebben ze geen hobby’s; normale mensen kunnen na hun loopbaan eindelijk eens lekker sporten.

In het tennis is de comeback al jaren helemaal terug. Paul Haarhuis en Jacco Eltingh kwamen al eens terug (en kwamen daar na één gruwelijke nederlaag weer op terug). Kim Clijsters baarde een kind, sloeg na een jaar weer eens een balletje en stond binnen no time weer aan de top. Voor de gezusters Williams is iedere wedstrijd een soort comeback, omdat ze daarna weer drie maanden volgeboekt zitten met Hollywoodfeestjes.

In golf en schaken kun je tot je dood comebacks blijven maken. Vraag het Tiger Woods of Bobby Fischer, die ze tussen hun periodes van topprestaties door ook behoorlijk bruin bleven bakken. Dat is jammer, want de sportcomeback gedijt het best als het een terugkeer uit de volledige vergetelheid betreft. Een deus ex machina in korte broek.

Het voetbal bleef comebacktechnisch een beetje achter, maar daar komt nu verandering in. Marc Overmars deed een paar jaar geleden een verdienstelijke poging, door enkele jaren na zijn afscheid opeens op het veld van zijn jeugdliefde Go Ahead Eagles te verschijnen. De tragiek van die terugkeer, op een gure vrijdagavond compleet weggespeeld worden door een jonge rechtsback van Helmond Sport, maakte in één klap zijn bedroevend saaie – want succesvolle en ondramatische – loopbaan goed. Marc Overmars was een man met een verhaal geworden.

De afgelopen weken maakte Thierry Henry zijn rentree bij Arsenal en keerde Paul Scholes terug bij Manchester United. Dat is het betere werk.

Scholes stopte afgelopen zomer officieel, staarde daarna een half jaar uit het raam van zijn kapitale villa en was toen maar weer bij zijn oude club aan komen waaien. Wayne Rooney vertelde dat hij het gezellig vond dat Scholes langskwam, maar hij schrok een beetje toen die zich plotseling begon om te kleden.

Henry voetbalde nog wel zo’n beetje, in New York, maar het lijf waarvan zijn, niet eens zo strakke, shirt de contouren toonde, was duidelijk dat van een ex-sporter. Of eigenlijk: een ex-ex-sporter. Henry scoorde bij zijn terugkeer onmiddellijk het winnende doelpunt, maar zijn gejuich vermoeide hem vervolgens zozeer dat hij hijgend in de armen van trainer Wenger viel.

Zijn medespelers juichten met hem mee, maar echt blij kunnen ze onmogelijk zijn geweest. Je zult een talentvolle jeugdspeler zijn, alles in dienst hebben gesteld van je carrière, een contract hebben getekend en maanden hebben gewacht op je kans. Op een dag is de nood hoog, blessures en schorsingen maken de spoeling steeds dunner. Je debuut kan onmogelijk nog lang op zich laten wachten… En dan loopt er opeens een gezette veteraan de kleedkamer in.

De rentree van Henry en Scholes werd alom bejubeld. Volwassen mannen stonden te huilen van pure ontroering, journalisten hadden op de helft van hun stukjes al geen superlatieven meer over. Waarom? Omdat ze nog steeds zo goed zijn? Omdat ze de belichaming vormen van de eeuwige droom van iedere gemankeerde voetballer: dat het nog altijd kan, hoe overjarig je ook bent?

Henry en Scholes zetten de tijd stil, hun terugkeer creëert de illusie van de eeuwige jeugd, zij ontkennen het verval door er gewoon niet aan toe te geven. De suggestie dat dingen niet zo nodig hoeven te veranderen, dat het goed is zoals het was; daar zijn sportliefhebbers gevoelig voor. Sport is het uitstellen van de volwassenheid, een perpetuum mobile van kracht en gezondheid.

De mannen die huilden om Thierry Henry, weenden in feite om hun eigen jeugd, die ergens ver achter hen lag, als de rokende puinhopen van een door Vikingen platgebrand dorpje.

Ik voorzie een glansrijke toekomst voor de comeback

frank heinen