Beter een goede buur

Als Nederlanders hebben we het geluk dat we pal naast het machtigste en meest welvarende land van Europa wonen. Waarom hebben we sinds de jaren zestig dan zo vaak over onze Duitse buren lopen zaniken?

Wijlen W.L. (‘Boebie’) Brugsma, vermaard oud-hoofdredacteur van Haagse Post, had er een mooie uitdrukking voor bedacht. Hij noemde het ‘de tweede Tweede Wereldoorlog’: het verschijnsel dat nogal wat Nederlanders die de ‘echte’, eerste Tweede Wereldoorlog niet hadden meegemaakt, de neiging vertoonden alsnog – als plaatsvervanger – te gaan doen wat vader of grootvader in de jaren ’40-’45 had nagelaten: ‘verzet’ plegen tegen ‘de Duitsers’. Bij wijze van wiedergutmachung zou je kunnen zeggen, ware het niet dat die term in dit verband natuurlijk enigszins verwarrend is. Het misschien wel meest potsierlijke voorbeeld van zo’n postume, plaatsvervangende anti-Duitse verzetsdaad zal iedereen van boven de 35 nog helder voor de geest staan. We hebben het dan over het EKvoetbal van 1988, toen PSV-international Ronald Koeman in Hamburg zijn achterwerk afveegde met het geruilde shirt van de in de halve finale verslagen Duitse tegenstander Olaf Thon. “Hij bood veel later zijn excuses daarvoor aan,” noteerde een verbaasde Brugsma in 1989, “maar werd niet door de KNVB berispt noch door zijn werkgever Philips.” En zo was het. In tegenstelling tot Koeman (1963) behoorde de in 1922 geboren Brugsma, tevens overlevende van een reeks nazigevangenissen en concentratiekampen, nadrukkelijk tot de generatie die de ‘ echte’ Tweede Wereldoorlog wél had meegemaakt. Toch hadden de anti-Duitse gevoelens die hij aan de oorlogsjaren had overgehouden zich niet blijvend genesteld. Midden jaren vijftig, zo schreef hij later, “schoot het mij weer te binnen dat er in de Konzentrationslager meer Duitsers zaten dan er op de wachttorens stonden en dat zij er bovendien veel eerder zaten dan wij. Sindsdien ben ik mij allengs in Duitsland weer net zo thuis gaan voelen als lang geleden als klein jongetje op vakantie.” Misschien dat deze ‘zelfbevrijding’, zoals hij het noemde, bij Brugsma in werkelijkheid toch een tikje moeizamer verliep, maar dat laat onverlet dat ook veel andere Nederlanders reeds in de jaren vijftig geen negatieve gevoelens meer zeiden te koesteren jegens hun oosterburen. Ter illustratie: volgens enquêtes van het NIPO nam het percentage Nederlanders dat ‘onvriendelijk’ dacht over het Duitse volk gestaag af – van 53 procent in 1947 naar 36 procent in 1950 naar nog slechts 17 procent in 1953. En hoe moeilijk voorstelbaar het wellicht ook is: reeds in september 1964 vond in ons land de eerste naoorlogse ‘Duitse Week’ plaats, met veel Duitse culturele activiteiten, alsmede sportwedstrijden, exposities en een gemeenschappelijke kerkdienst. Plaats van handeling: nota bene Rotterdam, twee decennia eerder nog het doelwit van een grootschalig Luftwaffe-bombardement waarbij zo’n achthonderd inwoners de dood vonden.
Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

roelof bouwman