Beieren, red ons!

De Duitsers kunnen ons uit de euromisère halen. Maar zullen ze het ook doen? HP/De Tijd trok door het rijke maar aartsconservatieve Beieren om het ze zelf te vragen. ‘Wij Duitsers stellen ons veel te nederig op.’

Professor Dr. Dr. Werner Weidenfeld verontschuldigt zich omstandig voor de treurige ambiance, een kale werkkamer in een haveloze dependance van de universiteit van München. “Erg jammer dat dit interview, door uw tijdsschema, hier moet.”

Hij drukt zijn gast een brochure in de hand van het Centrum für angewandte Politikforschung (CAP), de politieke denktank waarvan hij directeur is, en wijst op een foto in het binnenwerk. “De meeste tijd zit ik hier.” We zien een deftig gebouw, dat inderdaad veel beter past bij de statuur van iemand die Professor Dr. Dr. is.

Weidenfeld is een voormalige adviseur van oud-CDU-bondskanselier Helmut Kohl (1982-1998). In 1992 was hij betrokken bij het informele deel van de onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht, waarin de basis werd gelegd voor de euro. Ook Angela Merkel, eveneens een christen-democraat, kent hij uitstekend; hij is meermaals met haar op reis geweest.

Ter zake nu. “U wilt weten of er een scenario denkbaar is waarin Duitsland de euro laat vallen. Antwoord: nee, dat is er niet. En dat gaat over meer dan alleen economische belangen. De geschiedenis heeft geleerd dat Europese integratie voor Duitsland van levensbelang is.”

Het is duidelijk waar Weidenfeld naartoe wil.

“Niet steeds over de oorlog beginnen, hè,” had de hoofdredacteur van dit weekblad de verslaggever op het hart gedrukt. Maar ja, wat als de geïnterviewden dat nou zelf doen?

Plaats van handeling: Beieren, het land van de legendarische Franz Josef Strauss. In Nederland werd de leider van de CSU (het Beierse zusje van de CDU) beschouwd als een rechtse brallende hansworst. Dat was goeddeels zijn eigen schuld; de wijze waarop hij linkse politici en andere hippies de mantel placht uit te vegen, was van een Louis van Gaal-achtige subtiliteit. Maar voor de inwoners van Beieren is de man die van 1978 tot zijn dood in 1988 minister-president van hun deelstaat was zo ongeveer wat Mahatma Gandhi is voor India: een bevrijder en het symbool van het nationale zelfbewustzijn.


Strauss transformeerde Beieren van een achterlijk-conservatief – we hebben het nog steeds over beeldvorming – Bundesland in hét economische powerhouse van Duitsland. Een knappe prestatie, dat zag men ook heus in Nederland wel, maar het imago van de lokale bevolking bleef niet best. Ook nu nog zien veel mensen ‘de Beier’ als een oerconservatieve, xenofobe redneck. Kortom: als een Franz Josef Strauss.

Maar het 12,5 miljoen inwoners tellende Beieren is ook de grootste en rijkste deelstaat van het land dat ons door de eurocrisis zal moeten slepen. In de Heimat van megaconcerns als BMW, Audi, Adidas en Siemens wordt het geld verdiend dat nodig is voor de ‘big bazooka’, het astronomische bedrag dat volgens economen nodig is om het vertrouwen van de financiële markten in de euro te herstellen.

De Duitsers kunnen ons, de bewoners van de andere eurolanden, redden. Maar willen en zullen ze dat ook?

Werner Weidenfeld is het tegendeel van een Beierse redneck. De hoogleraar komt net terug uit het Oostenrijkse Lech, waar hij verbleef in het hotel waar koningin Beatrix altijd logeert als ze gaat skieën. “Een mooi, sfeervol hotel,” zegt hij met zijn diepe basstem. “Vol luxe, selbstverständlich, maar geen kóude luxe.”

Vrijwel alle groten der aarde schudde hij de hand, van Bill Clinton tot Vladimir Poetin. Over het karakter van de laatste laat hij zich liever niet uit. Als hij wat lelijks zegt, komt daar – kennelijk – diplomatiek gelazer van. Bovendien is het hoofdonderwerp van dit gesprek de rol van Duitsland in de eurocrisis, nietwaar?

In dit verband mag hij graag de eerste West-Duitse bondskanselier Konrad Adenauer citeren: “Europese integratie beschermt de Duitsers tegen de gevaren van hun politieke cultuur.” Weidenfeld: “Van die woorden was ik als student zeer onder de indruk.”


De hele Duitse samenleving is, doceert hij, nog altijd doordesemd van het besef dat hun land twee gruwelijke wereldoorlogen heeft veroorzaakt. “Geen enkele politiek relevante partij heeft dan ook een verkiezingsitem van het onderwerp Europa gemaakt. Nou ja, de SPD (de sociaal-democraten – BG) probeerde het even, in Baden-Württemberg, maar stopte er al snel mee. Want zo win je geen verkiezingen in Duitsland.”

Duitsland zal dus tegen elke prijs doorgaan met de euro? In Weidenfelds voorhoofd verschijnen diepe denkrimpels. “Kijk, iedere regering zal proberen de kosten te beperken. Maar dat die kosten nu oplopen, is helaas noodzakelijk. Als we de Grieken meteen hadden geholpen, waren ze achterover gaan leunen in de wetenschap: de Duitsers redden ons toch wel. Nu zijn de Grieken aan het hervormen, net als de Italianen. Dit leerproces is gewoon nódig. Zo is het altijd gegaan in Europa. Dat de Engelsen nu zijn afgehaakt, is evenmin een catastrofe; het is continuïteit. Winston Churchill zei al in 1946: ‘We hebben dringend een federaal Europa nodig. Maar zónder Groot-Brittannië.'”

Weidse vergezichten, ook Weidenfeld is er dol op; hij schildert ze veelvuldig in de lucht. Maar Europa verkeert nu in een diepe crisis. Hoofdoorzaak: iemand als Kohl, geadviseerd door Weidenfeld, maakte destijds geen harde afspraken over het afdwingen van de stabiliteitscriteria voor de euro. Zijn hij en Kohl naïef geweest? Weidenfeld zet grote ogen op. “Naïef? Nee! We wisten dat we een sterk politiek framework nodig hadden. Kohl wilde een politieke unie. Maar we hadden onvoldoende kracht en tijd om die te realiseren. Niemand vond dat ook echt een probleem, want de zon scheen volop, economisch gezien.”


Anno 2012 is Kohls partijgenote angela Merkel de baas in Duitsland, en feitelijk ook in Europa. Zijn ‘we’ in goede handen? Weidenfeld knikt. “Waar Kohl vooral een strategische denker op de lange termijn was, is Merkel veel meer gericht op het oplossen van concrete problemen. En dat kan ze goed. Ze heeft er voordeel van dat ze in Oost-Duitsland is opgegroeid. Merkel heeft geleerd haar kaarten voor de borst te houden en wantrouwig te zijn.”

Maar zal ze uiteindelijk, als het er echt op aankomt, haar portemonnee trekken voor de veelbesproken big bazooka en, eventueel, eurobonds (gezamenlijke obligaties)? Weidenfeld haalt de schouders op. “Als u het zo wilt noemen: ja. Maar de éigenlijke big bazooka vormen de structurele hervormingen waarover nu wordt onderhandeld.”

Buiten spreken we wat studenten aan. De bloem der natie blijkt verrassend verlegen. “Geen tijd,” zegt de een. “De euro interesseert me niet zo,” bromt een ander. “Ik weet daar niets van af,” excuseert een derde zich. Een vierde wil wel kwijt dat ze wel vertrouwen heeft in bondskanselier Merkel, maar niet in de Grieken en de Italianen. “Ik moet nog zien of ze woord houden. Maar uit de eurozone treden, lijkt me hoe dan ook niet goed. Het zou dodelijk zijn voor onze export.”

Voor de universiteit staat een kiosk. Tegen een zijmuur leunen twee schilders en een ‘typische Beier’ met een groen verenhoedje. Ze zijn in de vijftig en drinken bier. Het is drie uur ’s middags.

Schilder één, een kleine man met een pet: “Ik vind het super hoe Merkel in de eurocrisis opereert.” Schilder twee, die een kop groter is: “Ik ook. Ze speelt het hard. Duitsland mag van mij best betalen, maar dan gaan we in Europa wel allemaal op dezelfde leeftijd met pensioen.” Schilder één: “En de belastingen moeten ook gelijk worden geschakeld. Op benzine, op sigaretten, alles.” De man met het verenhoedje bromt iets onverstaanbaars. De schilders lachen luid. Daarna gaat de kleinste urineren tegen een hek.


De lange zegt dat niemand moet denken dat Duitsland beter af was geweest als de D-Mark nog had bestaan. “De druk op de D-mark nam toe. We moeten globaal denken. Binnen vijftig jaar hebben we een wereldmunt, let maar op.”

Denken ze in de rest van Beieren ook zo kosmopolitisch? De kleine schilder, inmiddels teruggekeerd, gnuift minachtend. “Aber nein! Dit is München, de grote stad. Daarginds” – hij wijst in de verte – “denken ze heel anders.” De lange schilder, grinnikend: “Dat wil zeggen: áls ze al nadenken.”

Weidenfeld noemde zojuist de oorlog als belangrijkste drijfveer achter het stellige Duitse voornemen om Europa nimmer in de steek te laten. De lange schilder, opeens fel: “De oorlog? Ik ben geboren in 1952!” Zijn collega: “De enigen die ons nog steeds verantwoordelijk houden voor de oorlog zijn de joden. Het enige wat ze willen is geld. Geld, geld, geld!”

Franz Josef Strauss zou voor veel betere afspraken hebben gezorgd, weet de kleine zeker. “Der Franz Josef war der Beste. De enige die kritisch was en de waarheid zei.”

Volgende stop: Nymphenburger Strasse 64. Hier staat het Franz Josef Strauss Haus, het hoofdkantoor van de CSU, de (nog) conservatievere Beierse zusterpartij van de CDU. Doel: een gesprek met een hooggeplaatste CSU’er. De partij, die lang een absolute meerderheid had in het Beierse parlement (de Landdag) maar bij de laatste verkiezingen in 2008 flink verloor – dit mede door een reeks schandalen – lijkt zich op het gebied van de euro namelijk sceptischer op te stellen dan de CDU.

Het partijkantoor blijkt een zakelijk ogend bouwsel waaruit in de namiddag een kil groengeel licht schijnt. Achter de receptie hangt een jongeman met langig haar en een sikje verveeld in zijn stoel. Onmiddellijk dringt de vraag zich op of Strauss dit goed had gevonden, een jongmens dat zo uit een grungeband lijkt te zijn weggeplukt hier neerplanten.


“Nee, er is nu niemand die met u kan spreken,” zegt de jongeman korzelig. “Het is ook wel kort dag, hè? U had vorige week al een mail gestuurd? O. Nou, ik raad u aan om morgen terug te bellen.”

Eerst moet er worden overnacht. Op goed geluk stappen we binnen bij het redelijk betaalbaar ogende hotel Christl, in het centrum van München. Een grijzende zestiger, zo te zien afkomstig uit Noord-Afrika, bestudeert tientallen seconden lang met zorgelijke blik het gastenboek, om vervolgens te concluderen dat hij – “U heeft geluk” – inderdaad een kamer vrij heeft. “Zestig euro. En tien euro extra als u de auto achter het hotel wilt zetten.”

Vervolgens is hij minutenlang met de factuur en een rekenmachine in de weer. Hij komt er niet uit. Schuchter: “Ehh, weet u toevallig hoeveel 19 procent van tien euro is?”

Ja, 1 euro 90.

“Danke,” klinkt het opgelucht.

De volgende ochtend tellen we welgeteld één andere gast in de ontbijtzaal. Achter de balie zit een nieuwe, iets jongere man. Hij wenkt de verslaggever. “Entschuldigung, uw bon is niet goed.”

Hij maakt een nieuwe factuur, waarop staat dat negentien procent van tien euro 1 euro 60 is.

De man blijkt de eigenaar van het hotel. “De eurocrisis? Die speelt zich tot dusver vooral op tv af. Maar dat gaat veranderen, let maar op. En het zal misgaan. U heeft het gezien: ik gaf u net een nieuwe factuur omdat de oude niet correct was. Maar die Grieken doen echt alles zónder bonnetje. Bestel je een drankje: geen bonnetje. Ga je naar de dokter: geen bonnetje. U gelooft toch niet serieus dat dat zal veranderen?”


Het zit gewoon in de cultuur, weet de hotelier. “Niemand wil meebetalen aan de publieke voorzieningen. Ik kom uit Egypte en daar klagen mensen ook: ‘Waarom ligt er hier geen goede weg?’ Dan zeg ik: dat is logisch, niemand betaalt er toch aan mee?”

Hij schudt geërgerd het hoofd. “Ik had die Grieken allang uit de eurozone gegooid. Maar dat willen Merkel en al die anderen niet, omdat het de banken te veel geld zou kosten, en dus moeten de burgers maar betalen. Het financiële systeem klopt gewoon niet. En weet je wie daar achter zitten? De Amerikanen en de joden.”

Een telefoontje naar het CSU-kantoor leidt tot veel gezucht en gesteun aan de andere kant van de telefoon. “Kunt u dat mailtje nog eens sturen? U zit net in de auto? O, nou, stuur het dan straks maar. Dan komen we erop terug.”

Eerst gaan we het Beierse achterland in. Naar Berchtesgaden, om precies te zijn de Obersalzberg, waar Adolf Hitler eenderde van zijn regeertijd spendeerde in zijn Berghof. Onderweg vertelt de autoradio dat de Duitse economie de eurocrisis ‘verrassend goed’ doorstaat. De vooruitzichten de komende zes maanden zijn zelfs nog beter. Wel waarschuwt een professor dat het veel te vroeg is om te juichen. “Een hele rij handelspartners van Duitsland, met name in Zuid-Europa, moet krachtig bezuinigen. De gevolgen daarvan zal ook ons land merken.”

Op de Obersalzberg doet de herkenning van Hitlers uitzicht, bekend van de vele filmpjes die de Führer van zichzelf liet schieten, de adem even in de keel stokken. Van de Berghof resteert alleen nog de Ruïne van een muur. Het Adelaarsnest, het theehuis nog hoger in de bergen dat de dictator in 1939 als verjaardagscadeautje van zijn partij kreeg (hij kwam er overigens zelden), is door de sneeuw onbereikbaar.


In het documentatiecentrum annex museum boven het bunkercomplex van de Berghof ligt een gastenboek. “Schrijnend dat er nog steeds mensen en partijen zijn die deze kwaadaardige ideologie verheerlijken,” schreef iemand vanochtend.

Begin in zo’n omgeving maar eens níet over de oorlog.

Een echtpaar van in de veertig met een tienerzoon doet dat – wederom – zelf als eerste. De vrouw: “Natúúrlijk zal Duitsland doorgaan met de euro. Waarom? U ziet waar u nu bent. De enige partij die tegen de euro is, is de NPD (Nationaldemokratische Partei Deutschlands – BG). Dat zijn gewelddadige rechts-extremisten.”

Haar man, net als zijn eega SPD-stemmer, haalt de Duitse economie erbij. “Jaren van loonmatiging zijn goed geweest voor onze economie, maar onze branche – ik werk in een drukkerij – heeft al sinds 2004 geen loonsverhoging meer gehad. Ik ben ook voor doorgaan met de euro, maar ik wil er ook eindelijk weer eens wat bíj. Nu we moeten betalen voor de andere eurolanden, gaat dat er dus niet van komen.”

Zijn echtgenote wuift die klaagzang weg. “Dat is uiteindelijk toch veel minder belangrijk dan dít.” Wederom wijst ze naar het documentatiecentrum.

Wat vindt junior eigenlijk? Moeder kijkt haar zoon aan: “Jij vindt toch ook dat we Europa niet in de steek mogen laten?” De jongen knikt zuinigjes. “Ja. Maar de eurocrisis heeft op zichzelf natuurlijk niks te maken met dát” – ook hij wijst naar het gebouwtje waarin zich onder meer een bronzen buste van Hitler bevindt. “Sommige landen houden zich gewoon niet aan de afspraken.”

Zijn moeder: “Wij hebben ons ook niet alle jaren aan de afspraken gehouden, hoor” – inderdaad had Duitsland in 2003 en 2004 een te hoog begrotingstekort.


De jongen, schouderophalend: “Dat was veel minder ernstig.”

’s Avonds zitten in herberg Traunsteiner Hof in Laufen, een dorpje vlak bij de grens met Oostenrijk, vier oude mannen vanachter grote pullen bier te klaverjassen aan wat zo te zien hun stamtafel is. Een van hen draagt een Beiers hoedje. Deze vier zijn ongeveer wat de gemiddelde Nederlander zich voorstelt bij Beierse hillbillies, bij ‘typische aanhangers van Franz Josef Strauss’.

Ze kijken enigszins verstoord op als de verslaggever aan de tafel pal naast hen gaat zitten. Zijn ‘Gutenabend’ wordt met een minzame knik beantwoord. Daarna gaan ze snel verder met kaarten.

Mag de verslaggever vragen of de heren nog steeds blij zijn met de euro? Het kwartet kijkt de bezoeker fronsend aan. Diens uitleg, dat hij namens een Nederlands weekblad een verhaal over Beieren en de euro maakt, maakt hen er niet toeschietelijker op. “We hadden überhaupt nooit aan die munt moeten begínnen,” bromt een van hen slechts. Zijn vriend naast hem kijkt ondertussen de waardin indringend aan.

Als de journalist nóg een vraag stelt – of Strauss nu node wordt gemist – grijpt de waardin in. Ze stapt naar voren, posteert zich half tussen de verslaggever en de bejaarde mannen en begint een praatje tegen hen in een bijna onverstaanbaar dialect. Na vijf minuten leggen de stamgasten allemaal vijf euro op tafel en marcheren richting de deur. Alleen de voorste vereert de Nederlander nog even met een hoofdknik. Hij kijkt er allerminst vriendelijk bij.

We willen graag een burgemeester spreken: Jürgen Dupper van Passau, een schilderachtig middeleeuws stadje met naar verluidt veel extreem-rechtse jongeren. In 2008 werd de Passause politiechef Alois Mannichl voor zijn woning neergestoken door een neonazi. Nu is Duitsland al een paar maanden in de ban van de zogeheten Dönermoorden, een serie racistische moorden die in een periode van zeven jaar in diverse plaatsen zijn gepleegd door neonazi’s. Aan SPD’er Dupper de vraag: hoe bestrijd je rechts-extremisme, en zal de aanhang van de anti-europartij NPD toenemen als de eurocrisis verergert?


Dat wil zeggen: als we de Oberbürgermeister kunnen bereiken.

Zijn secretaresse schrikt hoorbaar van het verzoek. Een vraaggesprek van een half uur, desnoods slechts een kwartier, eventueel telefonisch en desnoods met een andere Passause politicus met kennis van dit onderwerp? “Oei, dat wordt moeilijk. Maar weet u wat, ik zal u bellen.” Omdat overduidelijk is dat ze niet gaat bellen, rijden we alvast maar naar Passau om het verzoek ‘live’ kracht bij te zetten. Nu schrikt de secretaresse, een bebrilde vrouw van eind veertig, helemáál. “Ik moet u bellen! Ik moet u echt bellen!” De verslaggever en de secretaresse weten allebei dat ze dat niet zal doen.

“Ach, die Dupper is alleen maar burgemeester omdat de vorige, een CSU’er, veel te veel fouten had gemaakt,” sneert uitbaatster Yvon (33) van een café om de hoek. “Die neergestoken politiechef? Die is nog steeds politieman, maar wel ergens anders. De daders zijn nooit gepakt. Men zegt dat het een rechts-extremist was, maar het kan ook zijn jaloerse echtgenote zijn geweest.”

Volgens Yvon, zelf afkomstig uit het linkse Berlijn, klopt het dat Passau nog steeds relatief veel extreem-rechtse jongeren telt. “Dat komt door de CSU. Beierse kinderen worden vanaf het begin met hun xenofobe ideeën grootgebracht.”

Ze zal de euro niet missen als hij wordt opgedoekt. “Maar dat gebeurt toch niet. Onze politici staan er veel te ferm achter. Helaas.”

Is het eigenlijk niet raar dat Duitsland geen enkele relevante partij heeft die tegen het miljardenverslindende doormodderen met de euro is? Desnoods een rechts-Populistische partij als de Nederlandse PVV?


Yvon, niet begrijpend: “Hoezo? We hebben de NPD toch?”

Nee, een partij tussen CSU en NPD in.

Yvon: “Dat is de CSU.”

Nee, iets te rechterzijde daarvan.

“Daar zit dus de NPD.”

Volgens de eigenaresse van een bakkerij verderop hebben ‘de meeste Duitsers het wel gehad met de munt die alles veel duurder heeft gemaakt’. Maar ja, zegt ook zij, ‘onze politici doen toch wat ze willen’. “En zij zijn vóór.” Als de naam Franz Josef Strauss valt, laat ze haar hand met een klap op haar toonbank neerdalen. “Onder Strauss was deze ellende nooit ontstaan!”

Opeens wijst ze naar buiten. Op de stoep voor haar winkel staat sinds enkele seconden een man in een lange donkere jas. Een auto stopt om hem te laten instappen. De eigenaresse van de bakkerij: “Dat was burgemeester Dupper.”

Telefoon. De persvoorlichter van de CSU. “Ik heb iemand voor u gevonden.” En niet de minste: Reinhold Bocklet, vice-president van de Beierse Landdag. Wanneer kunnen we hem spreken? “Nu. Ik verbind u door.”

Bocklet, voormalig Beiers Staatsminister van Bonds- en Europese Zaken, windt er geen doekjes om. Hij meent dat Helmut Kohl destijds, anders dan Weidenfeld beweert, wel degelijk naïef is geweest. “Kohl heeft de waarschuwingen van vele deskundigen in de wind geslagen. Strauss zou veel realistischer zijn geweest.”

De CSU was, zegt hij, altijd al eurosceptischer dan de grote zusterpartij CDU. “Maar nu moeten we Merkel steunen. Zij is de enige die we nog kunnen vertrouwen. Iedereen wil ons geld.”

Stoppen met de euro vindt Bocklet vooralsnog geen optie, doorgaan met alleen gedisciplineerde landen als Nederland en Duitsland evenmin. “Ook dan zal alles in Duitsland veel duurder worden.” Hij wil dat Merkel flinke druk op de Griekse en Italiaanse ketel blijft houden. Van de SPD, de belangrijkste electorale concurrent van CDU/CSU, mogen de Grieken en Italianen rustig aan doen, schampert hij. “De SPD is bijvoorbeeld voor het veel gemakkelijker kwijtschelden van de Griekse schulden.”


Ook Bocklet constateert dat geen enkele grote partij zich écht kritisch ten opzichte van het project Europa, laat staan ronduit anti-Europees kan opstellen. “In Duitsland zal zo’n houding meteen als Nationaal-socialistisch worden uitgelegd. En daar is iedere politicus bang voor.”

In zijn stem klinkt hoorbaar spijt door.

De laatste nacht spenderen we in zo’n spuuglelijk en onpersoonlijk snelweghotel waarvan Europa er duizenden telt: Hotel Wörth, langs de E53 nabij Landshut. Aan de bar hangen twee jonge veertigers met stoppelbaardjes. Ze werken voor BMW, volgens receptioniste annex bardame Diana de grootste werkgever in deze buurt. Zelf werkte Diana tot een jaar geleden voor een bank. Van oud-collega’s hoort ze dat er nog niets is veranderd aan de bonuscultuur. “Meer dan ooit zijn ze verplicht om mensen dingen aan te smeren die ze niet nodig hebben.”

De euro vinden de drie een ‘rotmunt’. Maar wel een rotmunt waar Duitsland nu onmogelijk meer van af kan. “Dan gaat onze export eraan,” zeggen de BMW’ers in koor. En toch, hoe harder de Duitse opstelling, hoe beter. “Maar dat mag je eigenlijk niet hardop zeggen, want dan ben je een nazi.”

Diana knikt. “Ik ben zelf half-Italiaanse, en het valt me op dat de Duitsers erg Nederig zijn. Ze laten zich van alles aanleunen, gebukt als ze gaan onder dat enorme schuldgevoel over de Tweede Wereldoorlog.”

Een van de BMW’ers slaakt een kreet. “Altijd, altijd maar weer die Scheisse-Krieg! Ik word er doodziek van. Van andere Europeanen hoor ik het ook steeds, met voetbal bijvoorbeeld: ‘Ben jij Duitser? Ah, nazi!’ Hoe lang gaat dat nog door?!”


En zo gijzelen de Duitsers min of meer zichzelf, constateert Diana.

Er was volgens haar één politicus die hen uit die situatie had kunnen bevrijden: SPD’er Thilo Sarrazin, tot 2010 bestuurder van de Duitse Bundesbank. Dat jaar publiceerde hij zijn boek Deutschland schafft sich ab, waarin hij scherpe kritiek uitte op iets waar je gezien het verleden volgens de Duitse fatsoensnormen met je tengels van af diende te blijven: de immigratiepolitiek. Het boek sloeg in als een bom.

Sarrazin werd door velen verketterd, herinnert een BMW’er zich. Zelf reageerde hij ook kritisch. Cynisch: “Tja, zo doen we dat in Duitsland als iemand durft te zeggen wat we eigenlijk allemáál vinden: dan bekogelen we hem met eieren.”

Het is waar, Sarrazin werd verketterd, maar van zijn boek werden 1,3 miljoen exemplaren verkocht. Daarmee werd het het best verkochte non-fictieboek van na de Tweede Wereldoorlog. Later kreeg hij bovendien de nodige bijval van onder anderen oud-SPD-bondskanselier Helmut Schmidt.

Als Sarrazin een politieke partij had opgericht, had bijna één op de vijf Duitsers, afkomstig uit rechtse én linkse hoek, op hem gestemd, bleek toen uit onderzoek.

Maar Sarrazin deed het niet.

En dus kunnen de Duitsers die wel Eurosceptisch zijn maar niet extreem-links of extreem-rechts willen stemmen, uitsluitend kiezen uit keurige middenpartijen die, uit schuldbesef over de twee wereldoorlogen en uit angst om voor nationaal-socialistisch te worden versleten, zich nooit écht kiezelhard tegenover marchanderende Mede-eurolanden zullen durven opstellen.

De BMW’ers, gelaten: “En dat zal nooit veranderen.”

Boudewijn Geels