Sorry voor de Middeleeuwen

Eens in de zoveel tijd komt een historisch tijdperk in het nieuws, dat allerlei sluimerende gevoelens over het Nederlandse verleden naar boven brengt. Aandacht voor de Gouden Eeuw kan bij sommigen trots doen opwellen, over de handelsmentaliteit en nuchterheid die de Zeven Provinciën rijk maakten. Anderen staan er onverschillig tegenover – je had immers net zo goed ergens anders geboren kunnen zijn. Gekrenktheid of schaamte over daden uit het verleden zijn ook mogelijk. Neem de commotie afgelopen najaar over een schildering op de Gouden Koets, waarop mensen uit voormalige koloniën geschenken aanbieden aan het koningshuis. Dit tafereel herinnerde volgens enkele Kamerleden te zeer aan een gruwelijk verleden, en daarom zou het paneel moeten verdwijnen. Maar veel bijval kregen ze niet. Onze opvattingen over slavernij zijn veranderd, maar daarom hoeven relicten uit het verleden nog niet te worden weggegooid. Hoe moeten we omgaan met aspecten van het verleden die we nu als ‘fout’ beschouwen, zoals slavernij? Moeten we onze excuses maken voor de daden van onze voorouders?

“Als we het hebben over het slavernijverleden van Nederland, zijn de regering en het Koninklijk Huis daar nog steeds verantwoordelijk voor. Zij zijn de vertegenwoordigers van de wetgeving die indertijd deze praktijken mogelijk maakte. De rijkdommen van het Koninklijk Huis komen eruit voort, en het Nederlandse bedrijfsleven en bepaalde families werkten eraan mee. Hun nazaten zijn nog net zo verantwoordelijk.

“Hoe moet je nu in het reine komen met dit verleden? Allereerst moet je excuses aanbieden. Dat is tweerichtingsverkeer: jij biedt je excuses aan, ik accepteer ze, en zeg vervolgens dat we nu verder kunnen. Maar het betekent ook dat je de schade die je hebt aangericht compenseert.

Die schade is niet alleen financieel. Geld is niet voldoende om de emotionele schade te vergoeden, zelfs niet al zou men Nederland verkopen aan de hoogste bieder. Ik kan bijvoorbeeld mijn voorouders niet traceren, omdat hun naam door slavenhandelaren is veranderd. In de reparatie van het verleden zit daarom ook reconstructie. Alle Nederlanders moeten leren hoe het écht is gegaan, vanuit meervoudig perspectief. We moeten dus meer begrip opbrengen voor de pijnlijke effecten van alle symbolen, woorden en tradities die nog aan slavernij refereren.”

“We moeten met goed historisch onderzoek altijd proberen te achterhalen wat er precies is gebeurd. Maar je moet het verleden niet gaan moraliseren, of met terugwerkende kracht excuses aanbieden. Ten eerste draagt niemand de verantwoordelijkheid voor de daden van zijn voorouders. Daarnaast heeft het aanbieden van excuses, bijvoorbeeld voor slavernij, een onbedoeld effect: dat daarmee de kous af is. Je zegt sorry, dat wordt geaccepteerd, en daarna hebben we het er niet meer over. Dat is juist niet de bedoeling! Je mag een discussie best iedere tien, twintig jaar opnieuw voeren, want elke tijd en elke generatie stellen nieuwe vragen aan het verleden.


“In vroeg historisch onderzoek werd het slavernijverleden van Nederland bijvoorbeeld verdoezeld, en was de Gouden Eeuw alleen maar heldhaftig. Daarna ging men ook de kwalijke kanten ervan inzien. Maar het kan heel goed zijn dat hier weer een reactie op volgen, die de kritiek zelf kritisch onder de loep neemt. Het aandeel van Nederland in de wereldwijde slavenhandel was bijvoorbeeld relatief gering.

“Ik ken iemand die zijn excuses maakte voor de manier waarop vrouwen in de Middeleeuwen werden behandeld. Dat was naar onze opvattingen inderdaad schandelijk, maar het is tamelijk zinloos om er nu sorry voor te zeggen. We kunnen er niets aan doen van wie we afstammen, en er zijn geen slachtoffers meer die gecompenseerd kunnen worden. Het uitkeren van schadevergoedingen aan directe slachtoffers van de daden van je voorouders heeft wel zin, bijvoorbeeld aan joden wier bezittingen tijdens de Tweede Wereldoorlog werden geroofd.”

“De achterliggende vraag is of wij onze ethische maatstaven mogen toepassen op personen en daden uit het verleden. Ik zou zeggen: ja, natuurlijk. We kunnen, nee, we móeten nu zeggen dat slavernij volstrekt verkeerd was. Daar hebben we goede argumenten voor, en die argumenten zouden ook geldig zijn geweest in het verleden.

“Tegelijkertijd kun je je afvragen in hoeverre iemand verantwoordelijk kan worden gesteld, als kind van zijn tijd, opgevoed in een context waarin bijna iedereen zoiets normaal vond. Maar elke tijd heeft veel kinderen – ook heel kritische. Vanaf het begin van de koloniale periode was er discussie over de juistheid van kolonialisme. Een cultuur is maar zelden eensgezind, en dat aspect krijgt vaak te weinig aandacht.


“Een voorbeeld van ‘fout verleden’ uit de geschiedenis van de filosofie vind je bij Immanuel Kant. Hij heeft een tijdlang een rassenhiërarchie verdedigd, ook nog toen hij zijn ethische hoofdwerken schreef. De literatuur vermeldt hierover meestal maar een enkele voetnoot; vervolgens gaan de commentatoren verder met dat deel van de theorie dat hun wél bevalt.

“Daarnaast is er een overkritische groep, die stelt: dit is de ontmaskering van Kant, hiermee is zijn hele denken onbruikbaar! Beide reacties schieten tekort. Het roept juist belangrijke vragen op: welke sporen heeft dit nagelaten? Wat moeten wij veranderen als we Kant nu nog willen ‘gebruiken’? Welke issues vond hij niet relevant, maar wij wel?

“Bepaalde kerngedachten liggen ten grondslag aan ons eigen denken. Daarom schrijven we niet alle visies uit het verleden af, maar proberen we de ‘foute’ elementen te herstellen in ons eigen denken.”

Isabelle Buhre