Winst is ook niet alles

Met ieder succes ziet de opperfan zijn club meer door de vingers glippen.

Zaterdagmiddag was ik bij mijn ouders. De regen sloeg tegen de ruiten, binnen was het warm en op het televisiescherm renden Ryan Babel en Edson Braafheid.

Mijn vader en ik keken naar Sportschau: TSG 1899 Hoffenheim-Hannover 96, in een samenvatting ruimer dan gezien het spel nodig was. Ik zag Babel en Braafheid draven over de geverticuteerde grasmat van de Rhein-Neckar Arena en dacht aan Jochen A. Rothaus.

Jochen A. Rothaus is hoofdrolspeler in de documentaire Das Leben ist kein Heimspiel uit 2010. In die film wordt Rothaus, die niets van voetbal weet, technisch manager van een vierdeklasseclub uit een dorp met drieduizend inwoners. Softwaregigant Dietmar Hopp heeft besloten grof geld te investeren in de club, en Jochen mag dat geld beheren.

Tijdens informatieavonden probeert Rothaus in gemeenschapslokalen in naburige dorpen de toekomstvisie van TSG uit de doeken te doen. Tegenover hem zit een zaal potentiële klanten – want zo moet je fans beschouwen. De meeste klanten blijken echter helemaal niet te zitten wachten op een Real Madrid naast de deur.

De club promoveert een paar keer achter elkaar, en met een team van prijzige Brazilianen, Afrikanen en Joegoslaven bereikt TSG uiteindelijk de bundesliga.

De club ontgroeit het dorp, gepersonifieerd door de andere hoofdrolspeler van de documentaire, Thorsten. Thorsten is een ras-TSG’er, een man van een jaar of vijftig die in vrijwel ieder shot een blik bier en een shaggie meetorst. Met lede en bloeddoorlopen ogen ziet Thorsten hoe zijn club hem met ieder succes een beetje meer uit de vingers glipt, hoe de wereld om hem heen verandert terwijl hij daar niet om gevraagd heeft.

Na een sensationele zege op Bayern München ploft Rothaus in het verlaten stadion op zijn stoel. Hij acteert intense tevredenheid, maar de zucht die hij slaakt, is er een van frustratie. Hij denkt groot, in geld, in succes op wereldschaal. De mensen om hem heen denken in plaatselijk geluk. En dat begrijpt hij niet.


Veel Duitsers dachten lange tijd als Jochen A. Rothaus. Sport was een manier om ergens beter in te zijn dan de ander, om je krachten te meten aan die van de tegenstander en er alles aan te doen om die tegenstander te verslaan.

In 1990 won het land het WK voetbal. In de finale werd Argentinië verslagen, maar er is bijna niemand die die wedstrijd tot het eind heeft uitgekeken en het ook nog kan navertellen. Het was té bar, alsof iemand live voor de hele wereld met een botte keukenschaar stukjes uit de Nachtwacht stond te knippen. En toch: wereldkampioen.

Wielrennen: zelfde verhaal. Vonden ze een eeuw lang niks an, maar toen er uit een Oost-Duits sportfabriekje Opeens een Tourwinnaar rolde, stonden ze vooraan. Met honderden journalisten en een publieke zender als co-sponsor van de grootste Duitse ploeg stond alles in het teken van de registratie van Ullrich die bezig was opnieuw de Tour te winnen. Dat lukte nooit meer – omdat Lance Armstrong mee ging doen – en toen vonden de Duitsers er meteen niks meer aan. De ARD besloot de Tour zelfs te boycotten, toen bleek dat renners zich massaal dopeerden. Dat was in de Ullrich-jaren ook al algemeen bekend, maar nu was dat opeens een onoverkomelijk probleem. In het omvangrijke kielzog van Mart Smeets komt ieder jaar een almaar groeiend leger Nederlandse journalisten naar Frankrijk. Ze hopen op iets wat al sinds 1980 niet meer is voorgekomen en misschien wel nooit meer zal voorkomen: een Nederlandse winnaar.

Ooit was ik met drie vrienden in het Olympisch Stadion van Berlijn, waar de plaatselijke trots (Hertha, de nummer laatst in de Bundesliga) tegen Eintracht Frankfurt speelde en met 0-4 verloor. Samen met tachtigduizend anderen waren we getuige van een afgrijselijk schouwspel, à raison van 35 euro. Het was ijskoud. Hertha zou dat jaar bijna al zijn wedstrijden verliezen en alle wedstrijden zou het staDion vol blijven zitten.


Winst is al lang niet alles meer, zelfs niet in Duitsland. Wie vertelt dat aan Jochen A. Rothaus?