Jouw huis, mijn huis

De buurman gaat het schip in met zijn dure hypotheek. Wij niet. Net als zoveel huizenbezitters wiegen de redacteuren van HP/De Tijd zichzelf in slaap in hun onverkoopbare huis, terwijl hun hurende collega’s met leedvermaak toekijken. Slechts één redacteur ziet in de verte een ijsberg opdoemen: ‘Ik ben het haasje. Nout Wellink, bedankt.’

Sommige mensen hebben gewoon geen talent voor financiële beslissingen. In 2000 ging ik na lang aarzelen toch ook maar in aandelen, op een moment dat de kenners allang schaterlachend waren uitgestapt. Binnen de kortste keren was eenderde van mijn inleg verdampt. Eind 2007 zocht ik een veilig huis om mijn dochter – parttime – in groot te brengen. Ik wilde een kindvriendelijke buurt, die zich toch op twaalf minuten fietsafstand van het Spui bevindt. Oud-Zuid viel af wegens te duur. De Watergraafsmeer haalde ik net, met een tophypotheek van 272.000 euro – het appartement zelf kostte 241.000 euro. “Is het wel verantwoord?” had ik een collega gevraagd die als huizenmarktexpert te boek stond. “Ja hoor,” stelde hij me gerust. “Mensen moeten altijd blijven wonen, nietwaar?” Dat was zo. En op de dag dat de deal rondkwam, las ik dat de huizenprijzen in Amsterdam het voorbije jaar met zeventien procent waren gestegen. De verwachting was dat dat in 2008 wederom het geval zou zijn. Misschien word ik nog wel eens rijk, jubelde ik.
Via een ondoorgrondelijk spaar/beleggings/ levensverzekeringsproduct met een sterke woekerpolisodeur zou ik binnen dertig jaar 55.000 euro aflossingskapitaal opbouwen, de rest was aflossingsvrij. Ik ging de ING 1130 euro per maand aan rente betalen en SNS Reaal, waar ik die 55.000 euro had ondergebracht, 71 euro. Van de fiscus kreeg ik 430 euro retour. Netto woonlasten aldus: 770 euro, plus 75 euro voor de kas van de VVE. Dat was te doen. En als ik groter wilde gaan wonen, kon ik mijn flink in waarde gestegen huis altijd voor minimaal 271.000 euro verkopen, wist ik. Tjonge, wat voelde ik me safe. Toen. Ik woon in een goede buurt, zoals dat heet. Er wonen veel (halve) BN’ers en mijn straat heeft een heuse fontein. Maar mijn appartement uit 1910 is slechts 62 vierkante meter groot. Ik heb een balkonnetje op het zuiden waar precies één stoel op past. Mijn bovenburen bepalen hoe laat ik wakker word, namelijk als zij uit hun bed stappen en richting Senseo snellen. Mijn huis is groot genoeg voor anderhalve bewoner: ik en mijn dochter. Maar samenwonen met een nieuwe liefde? Onmogelijk.
Het grote probleem is: ik kan niet weg. Een soortgelijke woning staat al driekwart jaar voor 229.000 euro te koop, een groter appartement aan de overkant zelfs voor 219.000 euro (zonder verwarming, dat wel). Ik heb er nog nooit een aspirant-koper kunnen ontwaren. En de huizenprijzen zullen volgens alle prognoses voorlopig blijven dalen. Ik ben, kortom, het haasje. Nout Wellink, bedankt.Toch probeer ik van mijn huis te houden. Mijn dochter voelt zich er fijn en ik doorgaans ook. En mijn fiets kan ik zonder slot in het rek plaatsen – ik heb het terugkerend van het Spui diverse keren gedaan. Ik heb zelfs een keer ongestraft een hele nacht een jasje van driehonderd euro over mijn stuur laten hangen. Dus zeg ik: leve de Watergraafsmeer! Maar in de etalages van makelaars kijk ik niet meer. Uit zelfbescherming.

Boudewijn Geels (41) is de enige redacteur
van HP/De Tijd die zijn financiële toekomst
somber inziet. Of realistisch, zo u wilt.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

boudewijn geels