Een waanzinnige poets

Misschien wel het flauwste en gemakzuchtigste wat een recensent kan doen, is een schrijver de grond inboren op basis van een paar ongelukkige zinnen. In haast elk boek, ook de heel goede, zijn stroeve passages te vinden. Bovendien zijn matige zinnen die er door een recensent uit worden gepikt vaak beduidend minder storend als je ze in context ziet. Recensenten die hun mening onderbouwen met één of twee citaten, bespreken eigenlijk geen boek, maar alleen die losse zinnen.

Natuurlijk is er wel een grens. Er is zoiets als een teveel aan moeizame zinnen. Dat kan geen gedurfd uitgangspunt of aansprekend personage compenseren. En belangrijker: de ene moeizame zin is de andere niet. Je hebt schoonheidsfoutjes en je hebt blunders.

Het fijne aan Blindgangers, de nieuwste roman van schrijfster en filosofe Joke J. Hermsen, is dat het in ieder geval lekker duidelijk is. Niet alleen staan er te véél slechte zinnen in, het is doorgaans ook nog het type zin dat zonder enige twijfel in de categorie blunder thuishoort. Het literaire equivalent van een keeper die over een zachte terugspeelbal heen maait als er geen tegenstander in de buurt is.

Blindgangers begint, nog voor het verhaal aan de gang is, met beschrijvingen van de dramatis personae. Biografische schetsen van de hoofdpersonen, waarin ook de onderlinge verhoudingen worden aangestipt. Vrij uniek voor een roman, een beetje aanstellerig misschien, maar niet onorigineel. Helaas begint de ellende al in die biografieën. Na een paar strompelende beschrijvingen lezen we over neurochirurg Johan van Doesburg: “Doet onderzoek naar navigatietechnologie, waarbij de in het brein navigerende computer verbonden kan worden aan robotarmen, die eenvoudige taken als het openzagen van de schedel van de chirurg kan overnemen.”

Godzijdank. Eindelijk een computer die chirurgenschedels kan openzagen. Goed, het is niet moeilijk om te zien wat hier wel wordt bedoeld, maar het is zeldzaam onbeholpen geformuleerd. Je vreest meteen dat dit geen slordigheid is, maar een bewijs van onvermogen, geen uitzondering maar regel. Hermsen lijkt in de rest van de roman geen enkele moeite te doen om die indruk weg te nemen.


Een paar woorden over het verhaal. Blindgangers draait om een groepje van zeven mensen, en hun kinderen en (ex-)aanhang. Zes van de hoofdpersonen zijn hoogopgeleide, intellectueel goed onderlegde veertigers, die in een studentikoos verleden een filosofisch genootschap vormden. Nummer zeven kwam later bij de vriendengroep, maar past er verder prima bij. De vrienden besluiten, bij wijze van reünie, een weekendje naar Drenthe te gaan. Eten, drinken, filosoferen, herinneringen ophalen, praten over de typische problemen van de veertiger van nu, en eigenlijk van de hele maatschappij.

De hoofdstukken (behalve de epiloog) zijn in de derde persoon geschreven, vanuit het perspectief van een paar van de vrienden, en soms vanuit het perspectief van hun kinderen. Maar dat er überhaupt iets is als een plot, of inzichten over de tijdgeest, of een groep mensen met problemen, gaat grotendeels langs je heen: alle aandacht wordt opgeëist door Hermsens stijl.

Storender dan de blunders is de reeks onnozele semi-pleonasmen en andere overbodige uitleg, hele alinea’s vol: ‘naar beneden dwarrelende sneeuwvlokken’, ‘geel en blauw opgloeiende vlammen’, ‘een herhaling van hetzelfde’, ‘levendige drukte’, ‘blauwbekken van de kou’, ‘een zompig moeras’, ‘over koetjes en kalfjes keuvelen’, ‘rationele zelfbeheersing’, ‘hoge naaldhakken’. Dit is nog maar een klein deel, een vriendelijke selectie.

Voor de liefhebbers zijn er daarnaast veel sfeervolle natuurbeschrijvingen en diepzinnige vergelijkingen, en soms combinaties van die twee. Iemand ziet bijvoorbeeld reeën ‘als volleerde dansers over de bosjes en beken springen’. Want dat is inderdaad wat je op dansopleidingen leert. Over bosjes en beken springen.


Det van Vliet, de jongste van de vriendengroep, lang niet de enige creatieve geest van het stel, blijkt tijdens het weekendje genomineerd te zijn voor een belangrijke poëzieprijs. Op een onbewaakt moment gaat de dichteres achter haar laptop zitten, en typt ze: “Ondanks de kraakheldere nacht, hangen er nogal wat duistere onweerswolken boven dit etentje” – wat doet vermoeden dat de andere genomineerde de tekstschrijver van Bløf is.

Je zou een apart stuk kunnen wijden aan de knullige dialogen en, daarmee samenhangend, Hermsens volstrekt onnatuurlijk klinkende benadering van jongerentaal (“Ik heb onze bitch vanmiddag een waanzinnige poets gebakken!”). Pijn aan je oren. Met zo’n stijl lukt het niet om enig medeleven voor de personages te voelen, hoe wrang en moeizaam, en uiteindelijk zelfs rampzalig, hun levens ook zijn. Het enige medelijden dat je met ze hebt, is dat ze in dit boek zijn beland.

Blindgangers is Hermsens vijfde roman, en ze heeft ook essaybundels geschreven, waaronder het bekroonde Stil de tijd – maar als je niet beter zou weten, zou je denken dat hier een iets te gedreven amateur aan het werk is. Verstand op nul, lekker een eind weg typen. Ze zou die toets boven de Enter eens moeten gebruiken. Backspace. En dan heel lang ingedrukt houden.

Joke J. Hermsen: Blindgangers. De Arbeiderspers, €19,95.

Dries Muus