Matten met een tandenborstel

De Voetbalwet is een jaar in gebruik, maar het geweld in en om de stadions gaat gewoon door. De wet moet daarom worden aangescherpt, vindt zowel de politiek als de KNVB. Maar hoe staat het eigenlijk met de vechtkracht van onze ME’ers?

Ooit werkte de Rotterdamse burgemeester Ahmed aboutaleb als verslaggever bij het nieuwsprogramma De wereld in een half uur, destijds op veronica-radio. Die ervaring komt hem goed van pas als hij tijdens de hoorzitting Veiligheid en Justitie van afgelopen week in krap vier minuten aan de Kamer weet uit te leggen wat er mankeert aan de Voetbalwet, zonder dat dat ten koste gaat van zijn verstaanbaarheid. Dat is knap, want er schort nogal veel aan, en en juridisch is het een mijnenveld. Zo is het stadionverbod van amper drie maanden te kort, is de plicht voor overtreders om zich tijdens een wedstrijd op het politiebureau te melden vaak een wassen neus, en geldt de Voetbalwet niet voor zogeheten first offenders maar alleen voor veelplegende hooligans.

Burgemeester Annemarie Jorritsma van Almere is er ook, en gelukkig oogt ze weer wat gevulder dan een paar jaar geleden, toen ze nogal rigoureus was afgevallen. Jorritsma behoort tot het nuchtere, liberale slag van grote passen, snel thuis. De KNVB en alle burgemeesters van het land moeten veel meer samenwerken, zegt ze, en wel op een toon die geen enkele tegenspraak duldt.

Volgens Jon Schilder, hoogleraar staatsrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, is de Voetbalwet een ‘weeffout’: een al bestaand wetsvoorstel tegen overlast van hangjongeren in probleemwijken moest opeens óók als Voetbalwet door het leven gaan omdat de Kamer dat graag wilde. Maar verzuimd werd om het instrumentarium op te nemen dat nodig is om hooligans effectief aan te pakken. Schilder vergelijkt de wet met een pil die de dokter hem voorschrijft tegen hoofdpijn, terwijl hij last heeft van iets anders.


Er zijn deze middag ook bobo’s van de KNVB. Bert van Oostveen, directeur Betaald Voetbal, verschaft met de présence van een onberispelijke klerk eerst maar eens wat cijfers: in het algemeen is het aantal rellen de laatste jaren flink afgenomen, meldt hij. ‘Hoek van Holland’ en de maasgebouw-rellen (toen Feyenoordsupporters het gebouw naast de Kuip bestormden) waren uitzonderingen. Jaarlijks trekken de wedstrijden in de Nederlandse betaalde competities rond de zes miljoen bezoekers. Uit KNVB-onderzoek blijkt dat 97 procent van hen zich veilig voelt in en om de stadions. Ook tellen de clubs steeds meer kinderen onder de bezoekers. Van alle toeschouwers staan er drieduizend te boek als hooligan, van wie 1200 een stadionverbod hebben.

Waar hebben we het dus over, lijkt Van Oostveen te suggereren, en daar heeft hij een punt. Want wat hebben we de afgelopen jaren niet aan maatregelen bedacht om die rotjongens aan te pakken: cameratoezicht in de stadions, stewards, detectiepoortjes bij de ingangen, invoering van die vermaledijde combiregeling (waarbij een toegangskaartje gekoppeld is aan een verplichte vorm van vervoer), instelling van het stadionverbod en meldplicht, speciaal aangesteld personeel voor het voetbal bij de grote politiekorpsen, rechercheurs die inlichtingenwerk verrichten – en deze lijst is verre van compleet.

PvdA-Kamerlid Marcouch, zelf oud-agent, denkt dat speciaal afgerichte honden bij de ingangen toeschouwers zouden kunnen controleren op het bezit van drugs, want hooligans zijn bij binnenkomst in het stadion vaak zo stoned als een garnaal dan wel stomdronken. Maar burgemeester Aboutaleb heeft daar slechte ervaringen mee in Rotterdam. Bij het Nightmare-festival – what’s in a name – gebruikte de politie hasjhonden om de veelal jeugdige bezoekers te controleren. Na zestig positieve reacties moest het arme dier afgevoerd worden, want ‘volkomen high geworden’.


Een blaastest dan, oppert Marcouch, maar Aboutaleb ziet dat niet zitten in de Kuip, waar op een thuiswedstrijd al gauw zo’n 45.000 mensen afkomen. “Stel, de wedstrijd begint om half een ’s middags, dan moet je de eerste supporters al vanaf een uur of negen beginnen te testen.”

Een hele stoet directeuren, portefeuillehouders veiligheid, veiligheidsmanagers, voorzitters, onderzoekers en wetenschappers komt langs en mag z’n zegje doen. Maar niemand vraagt zich af of er misschien nog iets te winnen valt bij de Mobiele Eenheid (ME) zelf, de Nederlandse oproerpolitie. Want wat er ook nog aan beleid wordt aangescherpt dan wel nieuw gemaakt, het verschijnsel hooligan lijkt onuitroeibaar.

Tenzij hij – het zijn meestal mannen – wordt aangepakt aan de ‘voorkant’, zoals het vreselijke beleidsjargon luidt. Aan de voorkant, oftewel, van gezicht tot gezicht, van man tot man. Weleens een ME’er van dichtbij bekeken? Bij een wedstrijd van Ajax zag ik onder de witte helm en het dikke beschermende pak een meisje met in haar nek een lange blonde paardenstaart; zo weggelopen uit de My Little Pony-reclame. In haar hand droeg ze losjes haar wapenstok, als was het een tandenborstel.

Lidmaatschap van de ME gebeurt meestal op basis van vrijwilligheid, legt P. Melsen later uit, portefeuillehouder Voetbal van de politie Rotterdam-Rijnmond. En ja, vaak melden zich daar ook dames voor aan. Wij moeten hun vechtkracht beslist niet onderschatten, klinkt het beleefd, en het is sowieso niet niks wat een eenmaal op drift geraakt peloton met al die grote galopperende paarden aan ‘machtsvertoon’ kan laten zien. Zoals Melsen erover praat, klinkt het haast verlekkerd. Alsof een ME’er het eigenlijk wel leuk vindt, relletjes, het spelen van een macaber kat- en muisspel. Alsof diep in hem en haar, ergens ver weg, ook een hooligan verstopt zit. Die suggesties gaan Melsen weer te ver, maar wij zijn zo vrij zijn begeleidende, ondeugende lachjes uit te leggen als die van herkenning.


Het mag niet in Nederland. Zo gaan wij hier niet met elkaar om. Dit is een beschaafd land. Onze jongens en meisjes van de ME hebben zich aan allerhande instructies te houden. Praten, praten, praten in plaats van pief, paf, poef. Dat is de Dutch Approach. Maar de verleiding is soms groot om te denken dat een deel van het hooliganisme opgelost zou zijn als de ME zich voor één keer, bij wijze van experiment, mocht bedienen van de taal die de raddraaiers het beste verstaan, de taal van de vuist. Eén ongenadig pak slaag zou die hele Voetbalwet overbodig kunnen maken.

Frans van Deijl