Voorbij

Ik ben geen fan van de gedachte dat ‘spraakmakend’ ook ‘geruchtmakend’ moet zijn.

Als het aan de hoofdredacteur ligt wordt dit mijn laatste bijdrage aan dit weekblad. Eind oktober, toen ik voor een kort verblijf in Boedapest was, werd mij ineens per e-mail de wacht aangezegd. Ik was, hoorde ik vorige week in de rechtszaal, ‘kundig, maar niet sprankelend’. Dat klinkt in mijn oren als: “U doet uw werk goed, u moet weg.’ Daarbij heeft de man die bij HP/De Tijd alle ramen zou openzetten voor mij alle deuren dichtgegooid. Dan ben je uitgepraat.

Wel wil ik terugblikken op de ruim dertien jaar (sinds 1998) dat ik buitenlandcommentator voor dit blad mocht zijn. Mij ging het daarbij niet om behagen, maar om inzicht verschaffen. Sprankelen lijkt me meer iets voor een frisdrank. Ook lijkt het mij een misverstand dat journalistiek leuk of spannend moet zijn. We zitten niet in de bioscoop. Ik schrijf over internationale zaken, kwesties van leven en dood, en probeer te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Voor mij niets spannender dan dat, al weet ik ook dat veel mensen in luchtiger zaken zijn geïnteresseerd. Maar volgens mij behoort de wereldpolitiek tot de corebusiness van de journalistiek. Dat zal nooit veranderen. Kijk naar de International Herald Tribune. Een intelligente, informatieve krant die niet altijd even makkelijk wegleest. Maar sinds mensenheugenis een baken in de wereld, zonder veel plaatjes of flauwekul.

Het verzorgen van een buitenlandcolumn moet je lang doen, op een vaste plek. Dat zorgt voor regelmaat, disciplineert de geest, en verplicht tot consistentie. Natuurlijk staat de actualiteit voorop, maar in een historische context. De echte pundits worden beter naarmate ze ouder worden en meer eigen kennis paraat hebben om grotere verbanden te leggen. Ik heb nooit de gevangene willen zijn van de eigen tijd, die is voorbij voor je het weet. Mijn rode draad was de ironie van de geschiedenis, die mensen op het verkeerde been zet en dingen laat doen die zij vooraf voor onmogelijk hadden gehouden.


Die ironie is voor mij geen luchtigheid, maar kern van de zaak. Wie daar geen oog voor heeft, wellicht een meerderheid, begrijpt mij niet. Dat is niet erg, ik heb nooit veel opgehad met politieke correctheid, en nog minder met het politiek incorrecte populisme dat nu de toon zet. Ik kon mij altijd goed vinden in de lijfspreuk van dit blad: niemands knecht. Wel vraag ik me af hoe het verder moet als iedereen zo denkt en er helemaal geen knechten meer zijn. Het zou best kunnen dat we daar met het huidige 2.0 tijdperk al middenin zitten.

Ik ben geen fan van de gedachte – een vloek in het Nederlandse opinieklimaat – dat spraakmakend geruchtmakend moet zijn. Er wordt al genoeg geschreeuwd in de wereld, zoals er ook al genoeg te hoop wordt gelopen tegen instituties die van levensbelang zijn voor het behoud van onze westerse vrijheden. Daartoe reken ik ook de katholieke kerk, die onder de wonderbaarlijke Karol Wojtyla van onschatbare waarde is geweest bij het overwinnen van het totalitaire communisme in Oost-Europa. Heel gek hoe deze herinnering in Nederland aan het vervagen is. Wel veel misbaar over Geert Wilders, hoewel het nazisme een fenomeen uit het interbellum is, maar Emile Roemer doodleuk als ‘normaalman’ op het schild heffen, alsof het reëel bestaande socialisme, en dan vooral de asgrauwe normalisering ervan, niet veel korter achter ons ligt. Waar zo’n bezoek aan Boedapest al niet goed voor is, mijn geheugen is er weer helemaal door opgefrist.

Rechts? Ik dacht het niet. Wel heb ik iets te veel valsheid onder de progressieve krachten gezien. Doen alsof je niet bestaat, ten aanzien van kameraden die in ongenade zijn gevallen, is zo’n nare gewoonte. Verder ben ik zeer voor de vooruitgang, desnoods via één stap achteruit en twee stappen voorwaarts. Ik houd van communistische oneliners die op de mestvaalt van de geschiedenis zijn beland. Hopelijk blijft HP/De Tijd, waarvoor ik een kleine duizend stukken heb geschreven, dat lot bespaard. Ik wens het blad een mooie toekomst toe. Dat wordt nog spannend genoeg.


Enkele maanden geleden heb ik Dirk-Jan Van Baar gezegd dat wij gaan stoppen met zijn column. Er was een aantal incidenten over onderwerpkeuze en actualiteitswaarde aan vooraf gegaan. Maar ook los daarvan zijn er momenten dat een hoofdredacteur kan vinden dat het genoeg is geweest. Ik gunde hem een mooie aftocht, door zelf te zwijgen over oorzaak en gevolg. Maar de heer Van Baar spande een kort geding tegen mij aan, waarop hij mij dwong voor de rechtbank ook een kenschets te geven van wat ik in den brede van zijn columns vind. “Kundig, maar niet sprankelend,” waren de woorden die ik koos. Enfin, alhoewel ik daar niet toe verplicht was, heb ik Van Baar op zijn verzoek een laatste column in HP/De Tijd gegeven. Dat hij op bijgaande wijze gebruik maakt van deze geste vind ik veelzeggend. Maar bij deze: leve het vrije woord.

Frank PoorthuisHoofdredacteur HP/De Tijd