Henk Hofland: ‘We waren montere jongens’

Henk Hofland (1927) is een van de langst schrijvende commentatoren van Nederland. Op zijn zesde begon hij te lezen, uit de boekenkast van zijn vader: verhalen van Belcampo. Later raakte hij bevriend met schrijvers, mannen als Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Remco Campert. ‘Het was alle dagen feest.’

Ik kom uit een frikkengeslacht, tot in het vierde of vijfde geslacht zaten ze allemaal in het onderwijs. In Weesp heb je nog de H.J. Hoflandlaan, genoemd naar mijn betovergrootvader die zich daar verdienstelijk heeft gemaakt voor het opvoeden van de Weesper kindertjes. Mijn overgrootvader was hoofd van een kweekschool. Mijn grootvader had een hbs, eerst in de Hemonystraat in Amsterdam, toen in de Waldeck Pyrmontlaan, een internaat voor rijke jongens die klaargestoomd moesten worden voor het eindexamen. “Mijn vader heeft die lijn niet gevolgd. Hij is officier bij de Koninklijke Marine geworden en later in het zakenleven gegaan, en inderdaad: stinkend rijk geworden. Rijk. Ja, rijk. We hadden dienstmeisjes en een auto met chauffeur, een groot huis en wat al niet. Dat heeft me veel plezier gedaan, hoewel ik er nooit veel over heb gezegd. “Hij was een verstandig financier en is de crisis goed doorgekomen. Aan het eind van de jaren dertig is hij nog rijker geworden en toen kwam de oorlog. Godzijdank heb ik een vader gehad die goed was in de oorlog, al hield hij dat geheim tot april 1945. Toen zei hij: ‘Henk, kom eens mee naar kantoor.’ We gingen daar naar zolder en daar zaten een man of twintig hun geweren en mitrailleurs poetsen. ‘Kijk,’ zei hij, ‘dit is mijn knokploeg.’ Hoe vind je dat? Ik zal geen namen noemen, maar het is iets anders dan andere mensen hebben gedaan.”
H.J.A. (Henk) Hofland praat zoals hij schrijft, in goedlopende zinnen vol treffende typeringen. Regelmatig wordt zijn betoog onderbroken door een schaterlach of een uitroep van verbazing over de domheid in de wereld: Jezus! Toen we de afspraak maakten voor een gesprek over de schrijvers en denkers die hem hebben gevormd, citeerde hij over de telefoon moeiteloos lange teksten van Céline, Stirner, Macdonald en Sartre in het Nederlands, Frans, Duits en Engels. Zijn hoofd is een ijzeren pot waarin een lang leven aan kennis ligt opgeslagen. Deze zomer wordt hij 85; op de dag van het interview is hij precies 84 jaar, zes maanden en acht dagen, zoals hij meldt. Even behulpzaam als exact. “De eerste kennismaking met iets wat je literatuur kunt noemen, waren de verhalen van Belcampo. Dat was een jaargenoot van een oom van mij, een begaafd verteller. Die had een boekje gemaakt met de verhalen van Belcampo, in eigen beheer uitgegeven, en mijn vader heeft daarvan een exemplaar gekocht. Dat las ik toen ik zes was.
Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week

Reacties zijn gesloten.