Hij komt. Of niet

Iedere week een artikel in zijn geheel op de site. Deze week de column van Frank Heinen. De Elfstedentocht is een souvenier uit een land dat niet meer bestaat.

Er zijn twee mogelijkheden. Hij kómt er, of Hij komt er níet. Áls Hij komt, dan kan het snel gaan, dus voor je het weet, vis je achter het net, als sportcolumnist van een weekblad. Dan kun je maar beter op alles voorbereid zijn.

Column 1: Hij komt.
Vijftien jaar was het geleden, en wat hadden we er allemaal naar uitgezien! De Elfstedentocht, ouderwets cultuurgoed om je vingers van warm te blazen! En we hebben het geweten. Al sinds de voorzitter van de Friesche Elf Steden, Wiebe Wieling, zijn nu al legendarische speech donderdag afsloot met de kreet ‘It giet oan’, verkeerde het land in een staat van opperste gelukzaligheid. De uitzending van Pauw & Witteman, een uur lang met die vier onverstaanbare uitrijders uit de barre tocht van 1963; het Journaal, dat drie dagen lang uitsluitend Elfsteden-nieuws bracht en niemand die het erg vond; de koningin, die ons via Twitter gelukwenste met het doorgaan van onze favoriete traditie; prins Willem-Alexander, die zich twee dagen van tevoren inschreef als ‘W-A Zorreguita’… En toen moest het allemaal nog beginnen. Dan de dag zelf: negen miljoen mensen langs het parkoers, zeven miljoen televisiekijkers thuis, Mart Smeets die iedere tien minuten van trui verwisselt, Dione de Graaff klappertandend langs een mistige vaart, veertig keer Erben Wennemars die in de camera grijnst en roept dat het fris is, Sven Kramer met die ijspegel aan zijn neus, de traditionele documentaire over de hoeveelheid media-aandacht, de demarrage van Sjoerd Huisman in Bartlehiem, de kroonprins die na tien kilometer onderkoeld het ijs af struikelt, dat jammerlijke akkefietje met Erica Terpstra in Dokkum; zó veel herinneringen aan de Elfstedentocht 2012. Nu al. Mijn persoonlijke hoogtepunt: het door een groot landelijk dagblad gefinancierd clubje muzikanten met oranje mutsen dat in Sneek door het ijs zakt, nét als ze voor de 87ste keer Zo’ne goeie hebben wij nog niet gehad inzetten. En dan de kranten, de dag nadien: genóten! Zulke schitterende foto’s met weidse vergezichten over de Friese meren, en wát een aangrijpende verhalen ook over hen die het net niet haalden, de sfeerreportages, de analyse van de eindsprint op de Bonkevaart door Erik Hulzebosch, het traditionele opiniestuk van iemand die het maar onzin vindt, een interview met Ireen Wüst die van haar ploeg niet mee mocht doen en in haar hotelkamer moest kijken; ik kreeg er gewoon wéér rillingen van. Nu niet weer vijftien jaar wachten, dat overleven we niet. Alsjeblieft.

Column 2: Hij komt niet.
We hebben het toch twee weken volgehouden met z’n allen. Natuurlijk wisten we dat het niet zou gebeuren, dat het niet eens kón gebeuren, omdat het nooit meer gaat gebeuren, meteorologisch en zo, maar je blijft hopen, je blijft bidden voor zakkend kwik. En dan: niets. Ik ben er blij om. De Elfstedentocht is een door romantici, erwtensoep- en knakworstproducenten, verveelde sportjournalisten en Friezen kunstmatig in leven gehouden mythe met enge vertakkingen naar carnaval en Koninginnedag. Geen sport, maar een polonaise in gekke pakjes. De Elfstedentocht als een souvenir uit een land dat niet meer bestaat. Iedere dag weer zaten we naar het Journaal te kijken als die man met die gele muts met die sponsornamen op zijn rayonhoofd met zijn meetstok stond te poeren in het ijs ergens op een vaartje bij Harlingen. En die verslaggever steeds maar weer met z’n bibberende microfoon: “Giet it oan?”
Nee, natuurlijk ging het niet door. Twee dagen later was het elf graden en regende het. Het beeld van een huilende Erik Hulzebosch naast een slootje met wat broze ijsresten vergeet ik niet gauw, evenmin als Jeen van den Berg, die in De Wereld Draait Door nog eens vertelde over alle ontberingen van ’63. Toine van Peperstraten die in de camera kijkt en zachtjes zegt: “It sil net heve.” Dankjewel.

frank heinen