Broer

Slopers, de derde roman van Stijn van der Loo, begint wat traag. De hoofdpersoon vertelt over zijn familiegeschiedenis, zijn slopersbedrijfje (de Gebroeders Pek), en zijn omgeving (een modderige boerse streek in het oosten van het land, in de tijd van de wederopbouw). Hij komt constant terug op de band met zijn flamboyante broer, die hij simpelweg Broer noemt, alsof een naam een overdreven luxe is, aanstellerij.

De toon van de verteller is rauw. Verongelijkt. De frustratie druipt van elke zin. Hij zorgt voor het familiebedrijf en ontfermt zich over Broer. Broer zelf zorgt nergens voor. Zijn grootste dilemma: hoe geef je al je scharrels (‘projectjes’) het gevoel dat ze de enige zijn?

De verantwoordelijke broer valt volledig samen met zijn werk, en dat is een beetje het probleem. Van der Loo zet de sloopwerkzaamheden, en alle bijbehorende kopzorgen, buitengewoon geloofwaardig en gedetailleerd neer, maar het gaat ten koste van de vaart. Gepraat over werk is nou eenmaal zelden echt spannend.

Maar dan.

De hoofdpersoon moest haast wel een keer ontploffen, en vrij plotseling slaat het verhaal om. Misdaad, onthullingen, gevechten, alles erop en eraan. Vanaf het moment dat het minder over het werk gaat, en meer over de dorpsschandalen en de familietrauma’s van de gebroeders Pek, heeft Stropers een thriller-achtige vaart. En belangrijker: de broers worden rijkere personages, veelzijdiger, meer dan alleen maar of flamboyant of verantwoordelijk.

Alle stormachtige ont-wikkelingen blijven ondertussen cirkelen rondom het tegelijkertijd grimmige en nuchtere inzicht van de zorgzame broer: “Wij kiezen niet, het leven kiest ons. We belanden. Meer niet.”

Maar tot de laatste pagina laat Van der Loo je hopen dat er toch íéts maakbaar is, dat je jezelf wél aan je haren uit de modder omhoog kan trekken, of dat je op zijn minst in iets goeds kan belanden.

Valse start, die eerste hoofdstukken.

Stijn van der Loo: Slopers. Querido, €18,95.

Ook via ako.nl.