Het grote vergeten

Veertigminners laten nauwelijks nog tastbare herinneringen na. De plaatjesgeschiedenis van mijn gezin houdt op in 2006. Verder reiken de fotoalbums niet. Nadien zijn nog genoeg foto’s gemaakt van vakanties, feestjes en dagelijks leven, maar van afdrukjes maken, inplakken en bijschriften kwam het niet meer. De foto’s worden in grote hoeveelheden de computer in gekwakt met het voornemen om er later nog eens beter naar te kijken en de beste te selecteren, maar dat gebeurt niet. Alles is er nog, verspreid over computers van diverse gezinsleden, en tegelijk ook weer niet – althans niet vattensgereed. Die digitale foto’s vormen een steeds grotere poel van ruwe data, waar over tien, twintig jaar niemand meer uit wijs kan en die dus eigenlijk waardeloos is.

Lukraak iets bewaren is zinloos. Het zal gearchiveerd en geïndexeerd moeten worden. Hoewel de computer automatisch een datering genereert, zijn die digitale bestanden toch ijler dan concrete foto’s. Je vergeet wat erop staat, je vergeet de labels ervan, je vergeet überhaupt dat ze bestaan. Iets waarvan je je niet herinnert dat het bestaat, ga je ook niet opzoeken. Dat verdwijnt in het niets. Internet wordt weleens gezien als de grote conservator: wat er eenmaal op staat, blijft tot in lengte van dagen traceerbaar. Sommige mensen vrezen voor hun privacy, omdat jeugdzondes of compromitterende foto’s altijd weer via Google zijn terug te vinden. Anderen verheugen zich op virtuele onsterfelijkheid, omdat hun uitingen (blogs, tweets, Facebook-posts) ergens in de cloud bewaard zullen blijven.

Wie van het nageslacht zal geïnteresseerd zijn in al die onzin? Als ik mezelf als maatstaf neem, en bijvoorbeeld mijn gebrek aan animo om een kartonnen doos met de persoonlijke nalatenschap van mijn vader (voornamelijk ansichtkaarten en geologische aantekeningen over bergwandelingen) uit te zoeken, maak ik me weinig illusies over de belangstelling van toekomstige generaties voor het verleden. Mijn lieve vader is al vijf jaar dood en die kartonnen doos staat nog steeds in een kast te verstoffen. Als ik er niet aan toekom, zullen mijn kinderen hem weggooien.

Mijn vader heeft nog de meevaller dat zijn nalatenschap tastbaar is en daardoor een paar decennia meegaat. Gedigitaliseerd spul vervalt sneller, vermoed ik. Uit de begintijd van de personal computer heb ik nog een la met floppy’s vol teksten. Die zijn inmiddels onbereikbaar geworden, omdat moderne pc’s geen ingang meer hebben voor die schijfjes. Niet dat ze zulke belangrijke informatie bevatten. Ik kan heel goed zonder. Maar de computertechnologie ontwikkelt zich zo snel, dat het me niet zou verbazen als wat er nu her en der digitaal wordt opgeslagen over dertig jaar niet langer toegankelijk zal zijn, omdat het hele systeem van dataopslag intussen is veranderd.


Hoe jonger de generaties, over hoe minder tastbare memorabilia ze beschikken. Geen brieven, geen ansichtkaarten, geen papieren agenda’s, geen adresboekjes, geen dagboeken, geen afgedrukte foto’s, geen concrete muziekdragers, geen boeken – alle neerslag van een persoonlijk leven zit opgeslagen in de laptop en wordt uitbesteed naar de cloud. De nalatenschap van mensen die nu veertig jaar of jonger zijn zal te zijner tijd bestaan uit een laptop, een iPhone en misschien een e-reader. En een overweldigende hoeveelheid digitale sporen op internet natuurlijk, waarvoor de drempel om het allemaal door te spitten nog veel hoger zal zijn dan voor een overzichtelijke kartonnen doos met troep.

De Koninklijke Bibliotheek houdt op met het aanschaffen van papieren boeken, las ik in de krant. Voortaan wordt alleen de digitale versie geconserveerd. Begrijpelijk dat ze van die ruimtevreters af willen. Toch lijkt het me een onverstandige stap. Een tastbaar boek is zo veel beter bestand tegen de vergetelheid dan een efemere e-tekst. Om iets te vinden op internet moet je kennis van zaken hebben, maar een boek kun je zomaar tegenkomen, alsof het een individu is.