Hoe de winter verdween uit Nederland

Als de winter een product was, dan was het permanent uitverkocht. Zelden was de teleurstelling over invallende dooi zo groot als vorige week. Wel willen we graag een winter zonder de ontberingen van vroeger. Een rondreis door wit Nederland.

Eén zin lang is het bericht in de Leeuwarder Courant van 31 december 1909. “Een kindje van twee maanden oud van de schilder W.D. is in een kinderwagen doodgevroren gevonden.”

Eén zin dus.

Nog eentje, uit februari 1917. “In de nacht van zaterdag op zondag zijn in hun woning drie vrouwen doodgevroren.” Einde bericht.

Doodvriezen, dat gebeurt amper nog in Nederland. En als het gebeurt, dan zijn de berichten doorgaans niet zo ijzingwekkend terloops als destijds. In Nederland hoeft niemand meer te sterven van de koude. In het tijdperk van centrale verwarming en daklozenopvang heeft onze winter voorgoed zijn tanden verloren. De verschrikkelijke sneeuwman hebben we getemd. En als het monster dan toch de kop opsteekt, wanneer het zich in een vijftien centimeter dikke ijslaag vastzet op de Friese vaarten, dan tarten we de elementen door er bij duizenden als vermetele gladiatoren op glij-ijzers overheen te jagen. De winnaar van die krachtmeting heffen we op het schild van de onsterfelijkheid. Dat is de ultieme winter in Nederland.

Vorige week waren we centimeters verwijderd van het eerste collectieve winterorgasme in vijftien jaar. De EO begon een IJsjournaal, volkszanger Wolter Kroes had een Elfstedenlied opgenomen, het leger stond paraat, talloze vrijwilligers veegden het ijs opdat het sneller zou aangroeien. Het bleek allemaal vergeefs: het ijsmonster liet zich niet berijden. Maar een week lang lieten we ons opzwepen door de paukenslagen van de media, die het land zó in verdwazing wisten te brengen dat iedereen in dezelfde mantra begon te denken: gaat het door of gaat het niet door?


Het ging dus niet door. Toch is er wél iets gebeurd in Nederland. Maar wat?

Dagenlang trokken we langs kanalen, weilanden en natuurgebieden waar recreatieschaatsers rondjes reden over diepgevroren watervlakten. Door de gure wind kleurde hun huid scharlakenrood, hun ogen traanden en aan elk haartje in het gelaat zette zich een korrel ijs vast. Met raspende adem rustten ze uit aan de kant, ze warmden hun handen aan dikke snert in plastic kommetjes en deelden – toen ze weer tot praten in staat waren – met andere schaatsers hun inzichten over wat hen die ene dag bond: de ijsdikte, de scheuren, de wakken.

Op de website van de BBC, mind you, lazen we Bert van Voorbergen van Het virtuele Schaatsenmuseum iets belangwekkends beweren: “As soon as there is ice, everyone is the same, everyone is equal. Maybe that’s why we love it so much.” Dat mag klinken als psychologie van de bevroren grond, maar na een onderdompeling in de pretschaatswereld valt het alleen maar te bevestigen: alle schaatsers lijken op elkaar.

Bij een ondergesneeuwde kanosteiger aan de oever van het Spaarne, de rivier die Haarlem doorkruist, troffen we Andy van Leeuwen (64), een kleine, tengere man met het gegroefde gelaat dat zo tekenend is voor geroutineerde schaatsers. Van Leeuwen, gehuld in een strak zwart schaatspak en met een blitse bril, oogde topfit. Hij reed onlangs nog de marathon op de Weissensee, tweehonderd barre kilometers op een meer in Karinthië. Van Leeuwen wees op het verstilde Spaarne, waar in de verte een moeder en kind, hun fietsen aan de hand, van de ene naar de andere kade schuifelden. “Het kan niet mooier dan zo,” zei Van Leeuwen, doelend op het midden van het wateroppervlak waar nog maar enkele dagen geleden een schip had gevaren. De geul was inmiddels dichtgevroren met prachtig zwart schaatsijs. “Vijf jaar heb ik dit niet meegemaakt, dat het Spaarne helemaal is dichtgevroren. Daar moet ik dus bij zijn.” En hup, weg was Andy van Leeuwen. Binnen een paar tellen was hij opgelost tussen de tientallen andere schaatsers die dit ook echt niet wilden missen.


Hij moest er dus bij zijn. En zo ook twee vrouwen uit Aerdenhout – “Nee nee, geen namen” – die in een fikse bolide waren komen aanrijden en op de steiger hun schaatsen onderbonden. “Je kunt het niet maken om nu niet te schaatsen,” zei de een. “Het idee alleen al dat je op het Spaarne hebt gestaan,” zei de ander. Ze maakte haar zin niet af omdat iedereen met een beetje verstand daar wel ‘is fantástisch’ bij kan bedenken. Ze vervolgde: “Maar ik ben wel bang. Bang om te vallen. Schaatsen heb ik in Friesland geleerd achter een stoeltje. Ik doe het veel te weinig. Nou, dag hoor.”

Zij moesten er dus ook bij zijn. En ze kwamen dan wel uit Aerdenhout – “Ja ja, een A1-locatie” – maar ook zij lieten een eenvoudig verfrommeld tasje met hun schoenen achter op de kade. Zo dwingt de winter iedere schaatser in hetzelfde, weinig flatteuze keurslijf: doorgaans een strak aansluitende broek, een Noorse trui en dito muts met oorflappen. Dit bedoelde Bert van Voorbergen: op het ijs is de samenleving volkomen geëgaliseerd. Op het ijs vallen alle salarisschalen even hard.

De schaatsers die we spraken, hadden allemaal het dwingende gevoel dat ze ‘erbij’ moesten zijn. Maar de vraag wat natuurijsschaatsers nu ten diepste beweegt, is daarmee nog niet afdoende beantwoord. In Trouw lazen we een opiniestuk van ene Jan van Dijk, startnummer 1666 in de Elfstedentocht. Hij schreef: “Schaatsen is een oefening in vertrouwen. Wie naar het ijs leert luisteren, kan overleven. Schaatsen raakt aan een religieuze ervaring. Bijbelverhalen gaan voortdurend over het water als beeld voor de dood. Mozes wordt uit het water getrokken, Jona verdrinkt bijna in de diepte, Jezus loopt over water. In de winter, als alles er doods uitziet, helpt de natuur ons een handje in het geloof dat het niet afgelopen is.”


Dat vonden we een mooie tekst, die we sondeerden bij een aantal schaatsers. Maar die vonden bij zichzelf weinig diepere zieleroerselen over hun winterbeleving. Natascha Bruggink (43) was gewoon naar de dichtgevroren Veerplas ten oosten van Haarlem gekomen om haar nieuwe schaatsen te testen. “Een toertocht, dat is het leukst. Een indoor-ijsbaan is gewoon rondjes rijden en oppassen voor de mensen die écht kunnen schaatsen.” Afzien, dat trok haar wel, zei ze. “Geweldig is dat. En dan uiteindelijk bij een café belanden waar je choco met rum kunt drinken.”

Bij Amsterdammer Hans Kogenhop (64) hoefden we ook al niet aan te komen met mooie theorieën. Hem vonden we in de eivolle kantine van de beroemde IJsclub Ankeveen, pal tegenover de kerk, waar drommen scholieren langs een loket schuifelden voor snert en koffie. Het rook er naar sokken, naar heel veel sokken. En dan kwam er ook nog een notabele van de ijsclub die met luide stem verordonneerde dat een hoek moest worden vrijgemaakt omdat daar weldra opnamen van het IJsjournaal van de EO zouden plaatsvinden. Maar goed, Hans Kogenhop dus, die sprak wel over het sensationele gevoel om te zweven over het ijs – we zagen hem vergeefs zoeken naar woorden om dat aan een niet-schaatser uit te leggen. “Dat het voelt alsof je de natuur bedwingt is onzin,” zei hij echter resoluut. Het hoofd leegmaken dan? “Welnee, ik heb vanochtend al yoga gedaan.” Hij schaatst vaak en graag, gisteren nog in het natuurgebied De Wieden, waar hij in een scheur terechtkwam en viel. Afzien dus. “Maar als ik thuis ben en erwtensoep krijg, is alles weer goed.”

Dat soort teksten, we hoorden ze overal. Schaatsen kwam ons steeds meer voor als een vorm van automutilatie. Onderling leken schaatsers bijna alleen te praten over ongemakken op de route, pijntjes bij zichzelf en nóg grotere ontberingen die ze elders hadden geleden. Het viel niet mee onderweg, maar ik heb het toch volbracht – de ijsclub is hét podium om je karakter uit te venten. We zagen bomen van kerels met een van pijn vertrokken gezicht hun voeten warm wrijven. We zagen talloze mensen met holle ogen over de pokdalige ijsvlakte staren. We zagen een gevallen schaatsster door EHBO’ers met een sledebrancard worden afgevoerd. En toch waren ze allemaal vrijwillig gekomen en zouden ze met een voldaan gevoel naar huis gaan.


In Ankeveen gold dat ook voor Thea Lensink (63) uit Amstelveen, die zelf geblesseerd was maar een groepje vriendinnen vergezelde. Die vriendinnen stonden buiten ergens op het ijs. Thea Lensink had zwaar afgezien om zelf een béétje te kunnen schaatsen. Zes jaar had ze les gehad op de Jaap Edenbaan, maar ze was nooit verder gekomen dan de eerste klas. En toch had ze doorgezet. Ze wees op de tas bij haar voeten. Daar zaten schaatsen in. “Combinoren,” zei ze. “Daar durf ik het wel mee aan. Ik wil dit gewoon kunnen. Ik ben van mezelf bang uitgevallen, maar de angst om te vallen ben ik kwijt. Dat is een goed gevoel.”

Dat is wat de winter doet: die scheidt de bikkels van de watjes. De optimisten van de pessimisten. De doorzetters van de afhakers. Hoofdschuddend kijken we naar mensen die zich tijdens een hittegolf bovenmatig inspannen. Maar wie zich afbeult in de vrieskou, dwingt juist bewondering af.

Afgelopen week zagen we de particuliere winterbeleving van de solitaire, op zichzelf teruggeworpen schaatser die verrukt het ijs op ging en er uitgeput maar intens tevreden van af kwam. Persoonlijker kan geluk bijna niet zijn. Op de autoradio hoorden we hoe die winter werd vertaald voor de mensen thuis bij de kachel: als een onwillig natuurverschijnsel dat maar niet in de pas wilde lopen met onze evenementenplanning. We hadden allemaal onze eigen duiding van de ‘pluim’ in de weersverwachtingsgrafiek – de marge waarbinnen de winter zich de komende week zou doen gelden. Die winter zou het decor vormen van een nationale happening waar we in crisistijden, aldus een psychologe op Radio 1, zo intens naar snakken. Twee miljoen mensen zouden naar Friesland afreizen. Twee miljoen! Ook die zouden verrukt naar het ijs komen en uitgeput maar intens tevreden naar huis gaan. Maar zij kwamen voor een feest en voor elkaar. De mensen die in alle eenzaamheid de schaatszit aannamen op bevroren sloten en meertjes kwamen voor zichzelf.


Of ze móesten. Bij de IJs- en Skeelervereniging Radboud aan de rand van Medemblik troffen we vrijdagmiddag tientallen kinderen op het ijs: een uitje onder schooltijd. “Gisteren waren het er vijfhonderd,” verzuchtte vrijwilliger Klaas Bleeker (76) in het clubhuis, waar de meedeiner “Schaatsen, schaatsen, dat doe ik niet meer/M’n spieren verrekt voor de zoveelste keer” uit de luidsprekers schalde. “Weet u,” vervolgde Bleeker, “op het einde van de dag stonden er hier honderd auto’s van ouders om ze op te halen. Het was een verkeerschaos. En al die kinderen wonen hier gewoon in Medemblik, hoor. Ze hadden ook op de fiets kunnen gaan.” Waarmee Bleeker maar wilde zeggen dat de jongste generatie niets meer gewend is. “Ze willen voortdurend het clubhuis in om zich op te warmen. Vroeger was er maar één kamer in ons huis waar de kachel brandde.”

Tja, vroeger. Nu willen we niet allerlei narrige senioren opvoeren die betogen dat het in hun tijd allemaal veel erger was dan tegenwoordig. Maar in dit verband is er wel degelijk iemand met recht van spreken. Dat is Jan Buisman (87), historisch geograaf, in zijn werkzame leven leraar en inmiddels dé autoriteit op het gebied van de geschiedenis van het Nederlandse weer. Hij schreef er vuistdikke boeken over die tot duizend jaar teruggaan in de tijd. Nog vorig jaar verscheen Extreem weer! – Een canon van weergaloze winters & zinderende zomers, hagel & hozen, stormen & watersnoden. Vanuit zijn appartement, elf hoog, zagen we Den Haag liggen onder een hoogpolig wit tapijt. Het mysterie van onze relatie met de koude zette Buisman – zeer vitaal en allesbehalve narrig – meteen treffend neer: “Bibliotheken vol zijn er geschreven over winterweer. Over warme zomers schrijft bijna niemand iets.” De koude oogt natuurlijk spectaculairder, aldus Buisman in een poging tot verklaring, maar heeft ook iets existentialistisch: meer dan enig ander seizoen associëren we de winter met donkerte en de dood. In de winter lijden we ontberingen, en die doen het altijd goed in verhalen. Zo stapelen de anekdotes zich vanzelf op en worden de mythen alleen maar groter.


Buismans eerste winterherinnering dateert van 1929, toen hij als vierjarig ventje aan de hand van zijn moeder over de bevroren Lek bij Culemborg wandelde. Onze koudebeleving is sindsdien behoorlijk veranderd. “De meeste mensen hebben nooit een historische winter meegemaakt, zoals die van 1963. Trek eens een paar graden af van de huidige gemiddelde temperatuur, denk er een dik pak sneeuw bij, stel je voor dat dit ruim twee maanden aanhoudt, dat er dagen zijn waarop het overdag vijftien graden vriest en dat het comfort een stuk minder is dan tegenwoordig. Dán heb je een historische winter. Als zoiets nu zou gebeuren, zouden de mensen ten einde raad zijn. Iemand klaagde hier in de krant dat het in de tram maar vijftien graden is. Schandalig vond hij dat. Terwijl iedereen gewoon zijn jas aan heeft. In mijn kinderjaren was de kamertemperatuur vijftien graden, nu is het rond de twintig. We pakken onze kinderen in als mummies, omdat we denken dat ze het wel koud zullen hebben. En we projecteren: als het vrouwtje het koud heeft, moet het hondje een jasje aan.”

Het is het moderne comfort geweest dat mensen in zekere zin uiteen heeft gedreven, betoogde Buisman. Ruwweg tot en met de Tweede Wereldoorlog zaten hele gezinnen in één kamer bijeen – de kamer waar de kachel stond. “Ik moet oppassen dat ik het niet romantiseer, maar ondanks de narigheid van de oorlog was het ontzettend knus. Ik herinner me de geur van pannekoeken en chocolademelk. Na de oorlog hoorde ik mensen zeggen dat ze het een stuk minder gezellig vonden. Toen er centrale verwarming kwam, gingen de kinderen immers in hun eigen kamers zitten. Zo was het ook in de DDR, waar ik nadien weleens kwam. Iedereen daar trok zich terug in huis, want buiten was er niks. Die mensen hadden een geweldige familieband. Na de omwenteling in 1989 kregen ze gewoon heimwee naar die tijd.”


Zelf was Jan Buisman nooit zo’n schaatser, maar bij de beleving kon hij zich wel wat voorstellen. “Er zijn niet veel mensen die hierbij stilstaan,” zo zei hij, “maar als het in de zestiende of zeventiende eeuw hard vroor, dan kwam de trekschuit vast te zitten en konden ook koetsen amper nog vooruitkomen. Treinen en auto’s waren er nog niet. Niemand ging toen sneller dan een schaatser. Stel je dat gevoel eens voor: niemand die sneller gaat dan jij. Dat moet geweldig zijn geweest.”

Nee, verheerlijken wilde Buisman de oude winters niet, want het was ook gewoon bikkelen, en van een ernstiger orde dan nu. Maar zo werkt de geest nu eenmaal: na enige tijd wordt de pijn van ontberingen getransformeerd in een verhaal over de pijn van ontberingen. En dat soort verhalen doet het altijd goed. Buisman: “Wie in de auto komt vast te zitten in de sneeuw en werkelijk kou zit te lijden, heeft later iets te vertellen dat iedereen wil horen.” En zo is dat ook met schaatsers. Naar hun afzien mogen we graag kijken. We herinneren ons hoe Natascha Bruggink enkele dagen eerder bij de Haarlemse Veerplas bijna glunderend had verteld over De Hel van ’63, de film uit 2009 over de barre omstandigheden van de allerallerallerergste Elfstedentocht. De tijden zijn veranderd, maar wil niet iedere schaatser zich een heel klein beetje spiegelen aan het heldendom van Reinier Paping?

Onze weg vervolgden we naar het onvermijdelijke Friesland, dat inmiddels de Elfstedentocht aan zich voorbij had zien gaan. De radio meldde dat er in Europa inmiddels meer dan zeshonderd mensen waren doodgevroren. In Nederland stond de teller op twee. Het waren dakloze mannen; eentje stierf in de bosjes nabij de Zwolse nachtopvang, de ander in een berging in Wageningen. Persoonlijke tragedies, maar geen aantallen waar het land bij stilstond.


Mensen stonden wél stil bij het monument van Cornelis Lely op de Afsluitdijk. Tientallen auto’s waren er geparkeerd. Ze behoorden toe aan ijstoeristen, meestal echtparen van wie de man zich in bochten wrong om de decimeterslange pegels die zich hadden gevormd aan de houten steigers, onder aan de dijk, in al hun glorie op de foto te krijgen. In de zon schitterde het IJsselmeer als een gebroken spiegel van los drijvende gruzelementen besneeuwd ijs. Waar de zomer zich vooral laat voelen, is de winter ook nog zichtbaar. En dat willen we graag met elkaar delen. Op de bevroren stadsgracht van Leeuwarden, ter hoogte van de Harlingersingel, stonden tientallen mensen op het ijs elkaar te fotograferen. Twitter en Facebook, zo zouden we later thuis vaststellen, slibden vol met ijskiekjes. Mensen gingen ondanks alle obstakels de Elfstedentocht rijden, omdat iets inwendigs zei dat ze dat moesten doen. Gewoon omdat het nog kon. De vorst begon te lijken op de uitverkoop: die is ook tijdelijk en alleen daarom al ga je toch.

In het piepkleine onderkomen van de IJsclub Franeker – voorzitter M. Dijkstra, secretaris S. Dijkstra, penningmeester J. Dijkstra – was het zaterdag dus dringen voor de deelnemers aan de georganiseerde toertocht. Het was een komen en gaan van mannen met borstelige wenkbrauwen en vrouwen met vaselinelippen. De stukken kluuntapijt reikten tot aan de wc-potten, want daar trek je je schaatsen natuurlijk niet uit. En ook hier zagen we wat we overal hadden gezien: wintergenieters zijn aardig voor elkaar. Héél aardig. Dat konden we niet altijd met zoveel woorden verstaan – we waren immers in Friesland – maar we konden het wel zien. Schaatsclubs vormen een veilige microkosmos: iedereen ziet er hetzelfde uit, iedereen spreekt dezelfde taal, iedereen eet hetzelfde. “Er is totaal geen rottigheid,” had Hans Kogenhop in Ankeveen gezegd. Het klonk alsof schaatsers het laatste bastion der beschaving vormen. Hoe dan ook, naar een wanklank was het inderdaad vergeefs zoeken. “Kennelijk moet het vriezen voordat Nederlanders ontdooien,” twitterde iemand die dag. Een beetje psycholoog zou daaraan kunnen toevoegen dat we in de verhardende maatschappij snakken naar een beetje ongecompliceerde collectieve blijheid.


Maar dat is dan ook alleen mogelijk geworden in een tijdperk waarin koude niet meer dodelijk, en niet eens meer een ongemak van betekenis hoeft te zijn. We zijn er tot de tanden tegen bewapend, en ook het opwarmende klimaat helpt een handje. De winter zoals die vroeger in al zijn onbarmhartigheid toesloeg is uit Nederland verdwenen. Schaatsen is afzien, maar wel acceptabel afzien. Iedereen kan even ruiken aan de prestaties van de échte ijskoningen. Iedereen komt thuis met een mooi verhaal. De vorst, ooit scherprechter tussen leven en dood, is gedegradeerd tot een gratis attractie, tot een openluchtfestival van de natuur. Misschien dat dát wel verklaart waarom we er zo gek op zijn.

Mark Traa