Honkbal is alles

Het debuut van Chad Harbach is zo bejubeld dat je vanzelf naar zwakke punten gaat zoeken. Die zijn er niet. En het gaat over zo veel meer dan alleen honkbal. Credit auteur>door dries muus

Denk aan de spannendste wedstrijd (voetbal, tennis, kogelstoten) die je de afgelopen tijd hebt gezien. Stel je nu voor dat die wedstrijd zo’n twee dagen zou duren zonder dat je opwinding verslapt, denk er een prachtige afloop bij, plus wat je bij gebrek aan een betere term ‘intellectuele bevrediging’ zou kunnen noemen – dan heb je een ervaring die bij het lezen van De kunst van het veldspel in de buurt komt. Je zou het boek een honkbalroman kunnen noemen. Maar het is veel meer. Het is een roman waar je voor wilt juichen, als het de karakters tegenzit wil je scheldend opspringen of een fluitconcert inzetten, en soms durf je amper verder te lezen uit angst voor een slechte afloop.

De kunst van het veldspel verscheen in september 2011 in de Verenigde Staten als The Art of Fielding. Het is het ruim vijfhonderd pagina’s tellende debuut van de Amerikaan Chad Harbach, redacteur en een van de oprichters van het New Yorkse literaire tijdschrift n+1. Dolenthousiaste reacties in binnen- en buitenland, niet alleen in de kranten en tijdschriften, maar ook van grote namen als John Irving en Jay McInerney. Het maakt het extra verleidelijk om te zoeken naar zwakke punten. Iets wat op zo’n grote schaal bejubeld wordt, daar moet wel iets mis mee zijn, dat idee. Maar je kan lang zoeken – zwakke punten zijn er niet.

Even voor de zekerheid: je hoeft geen sportliefhebber te zijn om je door De kunst van het veldspel mee te laten slepen. Laat staan een honkballiefhebber. Ja, de levens van een paar van de hoofdpersonages draaien om honkbal. Maar Harbach schrijft zo invoelend en aangrijpend dat het een kleine stap is van honkbal naar elke andere persoonlijke obsessie. Of je leven nou om sport, fusion koken of geluk in de liefde draait, er is altijd een worsteling. Alleen de precieze invulling verschilt. Elk onderwerp kan naar de kern leiden, naar dat wat William Faulkner ‘the only thing worth writing about’ noemde: ‘the heart in conflict with itself’. Elke schrijver moet de onderwerpen kiezen die hem het beste op weg brengen.


In De kunst van het veldspel zijn er nogal wat harten in conflict, met zichzelf en met elkaar. Het conflict waar alle andere conflicten in de roman om draaien, is dat van Henry Skrimshander, honkbalwonderkind, korte stop voor de Westish Harpooners van het nietige Westish College in Wisconsin. Het probleem: eerst kreeg Henry de bal altijd precies daar waar hij hem wilde hebben, op de centimeter nauwkeurig, zonder erbij na te denken. Maar na één toevallig mislukte worp denkt hij bij elke worp na. En dan gaat het dus fout. De bal niet meer van A naar B kunnen gooien, veel concreter krijg je een probleem niet. En tegelijkertijd heeft het ook iets heel abstracts, iets ongrijpbaars, misschien zelfs iets zen-achtigs – Henry is niet meer één met de bal. Harbach biedt je de ruimte om daar zo ver over door te denken als je zelf wilt.

Ook de andere vier hoofdpersonen belanden in de ellende, soms als direct gevolg van Henry’s crisis. Niet dat ze veel aanmoediging nodig hebben: op een na waren ze al een aardig eind op weg naar totale emotionele chaos. Harbach schakelt de hele roman heen en weer tussen de karakters. Hij schrijft in de hij- of zij-vorm, maar we leren ze allemaal van binnenuit kennen, zien de wereld door hun ogen. Zo kan het gebeuren dat je de honkbalwedstrijden de ene keer beleeft via Henry of Mike Schwartz (Henry’s persoonlijke trainer, beste vriend en grootste fan), en je denkt: honkbal is alles. De andere keer beleef je het via Guert Affenlight, rector magnificus van Westish College, en je verzucht met hem mee: “Honkbal… Wat een saaie sport!”


En ook als Affenlights dochter Pella opmerkt dat Henry’s vormcrisis ‘niet bepaald kon doorgaan voor een tragedie’, kan je niet anders dan enthousiast knikken. Overigens komt Pella hier later hartverscheurend van terug, en ook dan moet je haar gelijk geven.

Dat is misschien wel Harbachs grootste prestatie: hoe goed, hoe trefzeker hij zich weet te verplaatsen in vijf totaal verschillende karakters, hoe hij ze tegen elkaar uitspeelt en weer naar elkaar toe laat groeien. Ze zijn stuk voor stuk sympathiek, intelligent en een tikje karikaturaal, precies karikaturaal genoeg, van die figuren die levensecht aandoen maar die je alleen in een roman aantreft. En op elke pagina, soms zelfs in elke alinea, is een rake, inzichtelijke zin te vinden, of het nou over honkbal, Melville of hopeloze verliefdheden gaat.

Ook in het Nederlands blijft De kunst van het veldspel overeind, meer ondanks dan dankzij de wat onhandige vertaling van Joris Vermeulen. Veel uitdrukkingen en formeel taalgebruik, op momenten dat dat totaal niet nodig is. Toch: lees dit boek, zo snel mogelijk – en als het even kan in het Engels.

Chad Harbach: De kunst van het veldspel. Vertaling: Joris Vermeulen. De Bezige Bij. € 19,90. Ook via ako.nl.

Dries Muus