Dubbelportret

Een half jaar na zijn dood lijkt Lucian Freud populairder dan ooit. Zijn werk wordt grif verkocht, en de overzichtstentoonstelling die sinds twee weken te zien is in de Londense National Portrait Gallery gold al bij voorbaat als een blockbuster. Terwijl je Freud moeilijk een kunstenaar kunt noemen die erop uit was om te behagen. Zijn naakten ogen als hompen dood vlees, en zelfs over zijn portretten van mooie jonge mensen ligt de grauwe schaduw van het onontkoombare verval. Overrompelende doeken zijn het, krachtig, ontroerend, maar nooit flatteus.

Martin Gayford moest dan ook enige aarzeling overwinnen voordat hij een jaar of wat geleden besloot voor Freud te poseren. Zijn drijfveer was vakmatige nieuwsgierigheid: als kunstcriticus (voor onder meer The Spectator en The Sunday Telegraph) wilde hij weten hoe het was om deel uit te maken van de wording van een kunstwerk. Mede op aandringen van Freud schreef hij over de maandenlange sessies die volgden een boek, met een bijzondere spiegelopzet: de schrijver portretteert de schilder die hém portretteert.

Gayford schetst Freud – dan al ver in de tachtig – als een kunstenaar die werkt met de dood op zijn hielen, maar die desondanks alle tijd neemt om zich in zijn model te verdiepen. Observerend vanachter zijn ezel en analyserend tijdens lange gesprekken in zijn favoriete restaurant probeert hij het model tot in zijn diepste wezen te doorgronden. Gayford doet zo nauwkeurig verslag van dat proces dat je als lezer het idee krijgt dat je erbij bent. Je ruikt de verf bijna, je voelt de nerveuze spanning in het atelier en je moet je bedwingen om je niet te bemoeien met de geanimeerde conversaties over kunst en wat niet al.

Fascinerend is wat Freud – een kleinzoon van de beroemde Weense psychiater – vertelt over de diagnostische functie van zijn werk. Zijn portretten leggen soms karakterkenmerken bloot waarvan de eigenaar niet wist dat hij ze had. Zo wordt Gayford, die zichzelf altijd als een gelijkmatig mens had gezien, ontmaskerd als iemand met sterk wisselende stemmingen. In dit verband roert hij het cliché aan van de schilder die, meer dan de fotograaf, ‘voorbij de uiterlijke verschijning van het model ziet, (-) in hun geest kijkt en – als er al zoiets bestaat – in hun ziel’. Hij illustreert dat met een verhaal over de kunstenaar John Minton, die in 1952 door Freud werd geschilderd. Het portret – een van de vele werken die in het boek zijn afgebeeld – toont een intens verdrietig gezicht. Gayford noteert: “Op foto’s van hem is van die innerlijke strijd en psychische angst, zo duidelijk aanwezig op het schilderij (-), nauwelijks iets te zien.”


Aan het eind van het boek is Freuds portret van Gayford voltooid. Het líjkt, moet hij vaststellen, inclusief de halskwabben die hij liever wat verdoezeld had gezien. Alleen de neus herkent hij niet: die lijkt gek genoeg meer op die van Freud dan op de zijne. Omgekeerd is ook in Gayfords portret van Freud de maker sterk aanwezig. Dankzij zijn innemende bescheidenheid, kennis van zaken en bewonderenswaardige zitvlees pakt dat fantastisch uit. Een prachtboek.

Martin Gayford: Man met blauwe sjaal. Uitgeverij Walewein, €29,90. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

Cecilia Tabak