Goed doen

Ontwikkelingshulp is geldsmijterij. Gerichter en met minder gooien kan best.

Het kabinet mag dan bereid zijn ‘alles’ ter discussie te stellen nu de crisis bezuinigingen afdwingt, zonder Geert Wilders verandert er geen jota aan het regeerakkoord. En Wilders heeft al laten weten wat nodig is om ook maar een millimeter beleid aan te passen: een flinke korting op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking.

Het kabinet kortte dit jaar al ruim negenhonderd miljoen euro op die begroting. We geven er nu 0,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp) aan uit; daarmee houden we ons als een van de weinige landen aan de internationale afspraken daarover. Wilders wil graag zijn tanden zetten in die 4,4 miljard euro.

Ontwikkelingssamenwerking werkt niet, en we hebben het geld zelf nodig, stelt Wilders. Ook de VVD en de publieke opinie zijn steeds kritischer. Hulpverleners en goede doelen moeten steeds vaker uitleggen wat het nut van hun ingrijpen is.

En terecht. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid evalueerde in 2009 zestig jaar ontwikkelingshulp. Het leverde een ontluisterende conclusie op: bar weinig. De ontwikkeling van Afrika en van delen van Aziƫ en Latijns-Amerika stagneert. Veel Afrikaanse landen zijn hulpverslaafd geraakt.

Helpen is verdomde moeilijk, concludeert de Raad. Wat wel en niet helpt, is amper vast te stellen. Voor een hulporganisatie is het mission accomplished als het geld is uitgegeven. Of en welke hulp structurele verbeteringen oplevert, is vaak totaal onduidelijk.

Voor de sector, en een groot deel van het Nederlandse publiek, is dat niet belangrijk: helpen is goed, helpen moet. Wij zijn rijk, zij zijn zielig. Het is allemaal een kwestie van moraal en verantwoordelijkheid.


Maar hoe moreel is het anderen een model op te leggen – good governance, een markteconomie – als het niets oplevert? Om de eigen schuldgevoelens af te kopen met veelal falende hulprecepten?

Dus ja, je kunt bezuinigen op ontwikkelingshulp zonder al te grote schade aan te richten bij degenen voor wie de hulp bedoeld is. Dat kan dan meteen een mooie exercitie worden in kritisch rapporteren: laat alle subsidieontvangers goed duidelijk maken welke effecten zij de afgelopen jaren hebben gezien.

Maar dan ben je er nog niet. Want moraal is niet alles in dit verhaal. Eigenbelang, jarenlang een vies woord in de sector, speelt ook een rol. Het Nederlandse bedrijfsleven profiteerde altijd al van hulp, onder dit kabinet is het ook formeel een doelstelling geworden. Ook op het internationale politieke toneel profiteert Nederland van ontwikkelingssamenwerking. Met onze brave bijdrage van 0,7 procent bbp kopen we invloed, al is ook daar moeilijk te zeggen hoeveel. Wellicht hebben we de posities van Jan Pronk en Ruud Lubbers bij de VN, en een sporadische uitnodiging om aan te schuiven bij de G20, te danken aan de Nederlandse hulpmiljarden. Maar dat zijn dan wel dure posities en uitnodigingen.

Korten kan dus, maar helemaal schrappen niet. Want zowel moraal als eigenbelang is een goede reden om een zak geld te hebben voor internationale samenwerking. Wat de moraal betreft, moeten we blijven proberen om anderen te helpen, al kunnen we daar wel wat nederiger in zijn en moeten we veel beter nadenken over hoe we helpen. En wat het eigenbelang betreft: dat Nederlandse bedrijfsleven moet zichzelf maar zien te redden, internationale veiligheid is een beter motief. Jonge mannen zonder werk zijn een groot risico voor de wereld. Ze zijn bereid oorlog te voeren of stappen in bootjes om elders op de wereld hun geluk te beproeven. Laten we er alles aan doen om ze thuis een perspectief te bieden, zodat we hier geen last van hen hebben.


Zullen we beginnen met de helft? Dan spreken we meteen af dat hulp die aantoonbaar helpt, zodra we uit de crisis zijn weer mag groeien tot 0,7 procent.