Leve de volksverheffing!

Door goed onderwijs doe je kennis op en leer je beter nadenken. En hoe meer mensen hebben leren nadenken, hoe groter de kans dat er voor problemen in de samenleving oplossingen worden gevonden. In dat idee uit de Verlichting ligt de oorsprong van het begrip ‘volksverheffing’: iedereen moet toegang hebben tot kennis, bijvoorbeeld door onderwijs, lezingen en bibliotheken.

‘Volksverheffing’ klinkt ouderwets, omdat het in onze tijd zo vanzelfsprekend lijkt. Wij vinden het niet meer dan normaal dat alle kinderen naar school moeten. Maar het oorspronkelijke Verlichtingsideaal behelsde meer. Kinderen moesten niet alleen taal en rekenen leren, maar ook brede algemene kennis opdoen en een actieve rol leren spelen in het maatschappelijk leven. Wij zijn gemakzuchtig geworden, omdat we denken dat alles leuk moet zijn en vooral niet moeilijk. Moeite doen voor kennis is verdacht! Want al die feitjes kan je toch gewoon op internet opzoeken?

Wat zou volksverheffing tegenwoordig moeten inhouden? En wat moet er in het onderwijs veranderen om Nederlandse kinderen naar een hoger kennis- en burgerschapsniveau te brengen?

“Natuurlijk vinden we dat iedereen moet kunnen lezen en schrijven, maar bij het oude ideaal van volksverheffing hoort ook culturele en maatschappelijke vorming, en daar is het niet zo best mee gesteld.

“Volksverheffing zou in deze tijd vooral het ontwikkelen van democratische vaardigheden moeten behelzen. Mensen moeten niet alleen leren een mening te vormen, maar ook hun argumenten af te wegen tegen die van een ander, hun mening te herzien, compromissen te sluiten en leren hoe ze een discussie goed moeten voeren.

“Dat is enorm belangrijk in een pluriforme samenleving. Niet iedereen denkt hetzelfde als jij, en dat zal ook nooit gebeuren. Dus moet je leren om daarmee om te gaan. Mensen zijn wel goed geworden in passieve tolerantie: ze kunnen anderen ‘laten leven’ en tegelijkertijd luidkeels hun eigen mening roepen. Maar actieve tolerantie – oprecht nieuwsgierig zijn waaróm de ander zo denkt en je eigen standpunt enigszins kunnen relativeren en verklaren – is veel moeilijker.


“Daarnaast is er ook een kennis-component: het is schrikbarend dat hbo-studenten veel elementaire dingen over onze samenleving niet weten. Burgerschapsvorming zou een apart vak op middelbare scholen moeten zijn.”

“Het ideaal van volksverheffing is in de jaren zeventig door de sociaal-democraten afgeschaft. Volgens het oorspronkelijke sociaaldemocratische ideaal moest iedereen de kans krijgen om cultuur tot zich te nemen, ook als hij weinig geld had. Dus mochten kaartjes voor het concertgebouw niet duur zijn en publiceerde de Wereldbibliotheek mooie boeken die voor iedereen betaalbaar waren. Maar vanaf de jaren zeventig werd cultuur weggezet als iets ‘elitairs’ en dus anti-democratisch. De betekenis van het begrip ‘toegankelijk’ werd volkomen geperverteerd: aanvankelijk betekende het gelijke toegang tot onderwijs en cultuur, ongeacht financiële positie of afkomst; nu betekende het dat alles voor iedereen te begrijpen moest zijn. Geert Wilders verkondigt momenteel dezelfde onzin. Dan is er niets meer dat de mens kan verheffen; alleen het materiële, het consumeren blijft over.

“Materiële vooruitgang was nodig om ervoor te zorgen dat mensen niet langer in armoede hoefden te leven. Maar tegenwoordig lijkt materiële welvaart het enige wat telt. Het onderwijs is opgezet rond de vraag: wat is nuttig voor de economie?

“Maar als je mensen vraagt wat hun leven écht de moeite waard maakt, blijkt het om heel andere dingen te gaan. Niet geld of spullen, maar vriendschap, liefde, ervaringen en ontwikkeling. Kortom, het innerlijk leven, dat we door kunst en onderwijs kunnen leren.

“In het onderwijs moeten kinderen leren dat literatuur en muziek niet ‘moeilijk’ of ‘zwaar’ zijn. We moeten ze kennis en vooral kwaliteitsbesef bijbrengen, plus een kritische houding. Dat laatste is nodig, zodat ze niet napraten wat anderen hun voorkauwen en zich niet tot een nuttig ‘gebruiksvoorwerp’ in het systeem laten maken.”


“In de jaren zestig en zeventig kwam de traditionele rol van de leraar onder vuur te liggen. De aanstormende elite wilde de nadruk leggen op persoonlijke ontwikkeling, maar zag over het hoofd dat het traditionele systeem van kennisoverdracht óók persoonlijke ontwikkeling tot gevolg had. Bovendien moet je eerst kennis opdoen voor je een zinvolle persoonlijke bijdrage kúnt leveren. Vanaf de jaren tachtig en negentig werden de nieuwe ideeën geïmplementeerd in het onderwijs, met niveau-daling tot gevolg.

“Om dat tij te keren, moet allereerst de financiering van het onderwijs veranderen. Scholen krijgen nu geld op basis van het aantal leerlingen, waardoor besturen zichzelf zien als ondernemers die een zo hoog mogelijke ‘productie’, dus leerlingen met een diploma, moeten leveren. Bovendien is er geen enkel toezicht op de besteding van de middelen. Of het nu aan salarissen voor directeuren, dure gebouwen of beleggingen wordt besteed, maakt niet uit. Terwijl het gaat om belastinggeld! Dat is democratisch onhoudbaar.

“Een beter criterium voor financiering zou het niveau van de leerlingen bij hun uitstroom zijn.Verder moet de inspectie steviger en moet er meer centrale examinering komen om het niveau van het middelbaar en beroepsonderwijs te peilen. Ten slotte moeten de kwaliteitsnormen omhoog. Als dat leidt tot twintig procent minder studenten in het hoger onderwijs, is dat niet erg. Het idee dat iedereen ‘moet’ studeren en wel zo ‘hoog’ mogelijk, is ronduit onzinnig en leidt tot niveaudaling, waarbij de slechte studenten de anderen ophouden. Alleen zij die het aankunnen én ervoor willen werken, moeten kunnen studeren en hebben dan ook het recht op financiële steun.”

isabelle buhre illustratie matthias giesen