Spoorzoeken in de Lichtstad

Parijs is een toverstad. Ook Nederlandse kunstenaars van na de oorlog lieten er hun voetafdrukken achter. Met een reisgids annex geschiedenisboek zijn die nu na te volgen.

Tegenwoordig zijn het New York en Berlijn, maar in het verleden heeft geen stad zo tot de verbeelding van artistiek Nederland gesproken als Parijs. Wie na een doorwaakte nacht met veel drank niet ooit op een Parijse zolderkamer in een luizenbed was getuimeld, was geen echte kunstenaar. Parijs was de stad waar alles gebeurde. Gedeeltelijk zal die idolatrie voor Parijs wel op een mythe berusten, maar gedeeltelijk is het natuurlijk gewoon waar. Zoals het ook waar is dat Ernest Hemingway op 25 augustus 1944 in een militaire jeep bij de beroemde boekhandel Shakespeare and Company kwam voorrijden. Vanuit zijn jeep verklaarde de schrijver met een theatraal gebaar de boekhandel voor ‘bevrijd’.

De anekdote over Hemingway in zijn jeep komt uit Hoogtij langs de Seine, het zojuist verschenen boek van Diederik Stevens over Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs. Hoogtij langs de Seine is een anekdotetrommel over de jaren 1948-1968, waarvoor de auteur veel research heeft gedaan.

Een vermakelijk boek, al lijkt de keus van de behandelde auteurs enigszins toevallig. Zo worden de Parijse avonturen van Hugo Claus uitvoerig beschreven, maar komt Willem Frederik Hermans slechts zijdelings ter sprake, terwijl die wat later maar wel veel langer in Parijs woonde.

Misschien heeft Stevens weinig nieuws te melden over Hermans in Parijs. In 2004 was ‘Frankrijk’ het thema van de Boekenweek, en toen is onder meer De weerspannige slaper verschenen, een bundel Parijse verhalen en columns van Hermans. Die heeft Arjan Peters voorzien van een toelichting die in het kort het leven van Hermans in Parijs beschrijft.


Naast Hugo Claus komen in Hoogtij langs de Seine wel Simon Vinkenoog, Rudy Kousbroek, Hugo Claus en Remco Campert aan bod, alsmede de schilders Karel Appel, Corneille, Jacqueline de Jong en Mark Brusse. En dan zijn er natuurlijk de dubbeltalenten Jan Cremer en Jan Wolkers. De oplettende lezer zal niet zijn ontgaan dat het Parijse leven van Rudy Kousbroek al eens is opgetekend door zijn toenmalige vrouw Ethel Portnoy, wier Parijse feesten eveneens verscheen in het kader van de Boekenweek 2004.

Voor schrijver en journalist Jacques Gans, die toch ook na de bevrijding over Parijs berichtte, heeft Stevens niet meer over dan één regeltje; met Mondriaan en Kees van Dongen is het niet veel beter gesteld. We moeten het doen met de interesses van Stevens, en die hebben al bij al 572 pagina’s opgeleverd.

Zo’n beetje de eerste die na de oorlog naar Parijs ging, was Simon Vinkenoog. Na de mulo wilde hij een artistiek leven leiden. Frans sprak hij amper, maar dat donderde niet. Hij wist zich een vast inkomen te verwerven via een baantje bij de Unesco, zodat zijn schamel onderkomen aan de boulevard Garibaldi allengs uitgroeide tot pleisterplaats van Parijsvaarders. Zelfs Gerard van het Reve en zijn toenmalige vrouw Hanny Michaelis hebben verscheidene malen bij Vinkenoog gelogeerd, onder meer in 1954, in de periode dat Reve alleen maar Engels wilde praten. Nou ja! Ga je daarvoor naar Parijs!

Stevens meldt dat het contact met Gerardje nogal ‘stroef’ verliep, maar zuinig als hij was, is Reve kennelijk toch bij Vinkenoog gebleven. Twee jaar later keerde hij terug en pakte hij zijn gewoonte op om tijdens de eerste Parijse week ‘bij Hollanders uit te vreten’.


Ook de dichter Hans Andreus liet zich bij Vinkenoog zien, in de periode dat Andreus verwerkte dat hij zich tijdens de oorlog in een onbezonnen moment had aangemeld bij de Waffen SS. In datzelfde jaar, 1954, stortte Andreus in en vertrok halsoverkop per vliegtuig uit Parijs – een ongelooflijke luxe in die tijd – om in Nederland te worden opgenomen in het verpleeghuis Novalis.

Niet lang na Vinkenoog kwam Karel Appel. Met in zijn kielzog Corneille, hoewel je dat ook omgekeerd kunt zien. In elk geval sprak Appel nog minder Frans dan Vinkenoog. Appel was uit Nederland gevlucht. Volgens de amateurhistoricus Adriaan Venema, die niettemin een paar aardige feiten boven water heeft gekregen, was de schilder in de oorlog niet helemaal zuiver op de graat geweest, maar Stevens zegt daar niets over. Appel en Corneille streken neer in een oude textielfabriek aan de rue Santeuil, waar het meer een soort kamperen was. Toch was dit een trefpunt, van waaruit de Cobra-beweging geprobeerd heeft zich over de wereld te verspreiden. Helemaal gelukt is dat niet.

Lange tijd was Appel – ondanks zijn gebrekkige Frans, of misschien juist wel daardoor – de enige van Cobra met succes en met geld. Uit die tijd stamt de animositeit tussen Appel en Corneille, die nooit helemaal over is gegaan.

Ook het Parijse leven van Rudy Kousbroek is dus te vinden in Hoogtij langs de Seine, maar het is aan te raden de autobiografische schets van Ethel Portnoy bij de hand te houden. Aanvankelijk vond de Hollandse enclave Kousbroek een stijve hark die rijmende gedichten schreef – mijn God! – en die was geïnteresseerd in techniek en motoren. Maar de Kousbroekjes namen ten slotte de functie van Vinkenoog als bezoekerscentrum over. Je werd er gastvrij onthaald, want ondanks hun karige inkomens was er altijd wel iets te eten en zelfs iets te drinken. Lucebert logeerde er enige tijd. De dichter maakte een grote wandschildering en sprak op een bandrecorder een aantal van zijn verzen in.


Die bandrecorder, uit Amerika ingevoerd door Ethel, werd beschouwd als een soort wereldwonder. Stevens vermeldt niet of daar nog verstaanbare opnames van bestaan. Kousbroek nam meer stemmen op; die zou ik graag eens willen terughoren.

Het eerste deel van Hoogtij langs de Seine is veruit het leukst. De auteur voelt zich duidelijk het meest betrokken bij de eerste naoorlogse generatie Parijs-vaarders. Zij zijn de ware pioniers. Wie na hen kwam, wie na hen dronken werd, was meer een volger dan een trendsetter.

Hoogtij langs de Seine wil meer zijn dan alleen een (onvolledig) geschiedenisboek. Het wil ook een gids zijn voor het artistieke Parijs van die dagen. In het boek is van alles te vinden over de hotels, ateliers, kunstacademies, brasseries, enzovoort. Erg nieuw is dat allemaal niet, want het verhaal over Sartre bij La Coupole en Café de Flore is talloze malen verteld. Niettemin blijft het vermakelijke lectuur voor wie van plan is weer door Parijs te wandelen. Tegenwoordig ben je er met de trein binnen vier uur. In die naoorlogse jaren was het een hele reis, en moest iedereen bij de Franse grens de trein uit.

Diederik Stevens: ‘Hoogtij langs de Seine – Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs (1948-1968)’.

Atlas, €49,95. Ook via ako.nl.