De goudvis spreekt

De beginzinnen van de Israëlische schrijver Etgar Keret maken razend nieuwsgierig. Ook de toon in zijn verhalen is altijd raak.

Als je joods bent en korte verhalen schrijft die regelmatig iets absurds hebben, moet je je best doen om niet met Kafka vergeleken te worden. In veel stukken over de Israëliër Etgar Keret valt het K-woord, gevolgd door een analyse van de overeenkomsten met het grote voorbeeld. Dat is net zoiets als een moderne Russische schrijver met Dostojevski vergelijken omdat ze allebei mensen met problemen opvoeren.

De korte verhalen in Kerets net vertaalde bundel verrassing zijn namelijk iets totaal anders. Iets totaal anders dan het werk van elk illuster voorbeeld trouwens. En toch, zoals bij elke schrijver met een volstrekt unieke stijl, regent het vergelijkingen.

Het wrede, absurde universum van Kafka, gecombineerd met het humanisme van Tsjechov en het surrealisme van Murakami. Je zou er nog de rare seksuele dilemma’s van Moravia aan kunnen toevoegen, en met een beetje goede wil kun je het literair spoorzoeken eindeloos volhouden, tot de schrijver is uitgegroeid tot een soort fabeldier, met vleugels en poten, een snavel en een krokodillenstaart, een fabeldier dat overigens best eens in Verrassing zou kunnen opduiken. Er gebeuren vreemdere dingen.

Een angstige ziel die reïncarneert in een guave, bijvoorbeeld. Of een hedendaagse versie van de geest uit de fles die drie wensen vervult – een pratende goudvis in een kom. En daar is het verhaal Steekwond, dat leunt op een simpel bizar gegeven: een man heeft een rits in zijn mond. Zijn vrouw ontdekt de rits bij het zoenen, en besluit haar man open te ritsen. Eronder zit – uiteraard – een viriele Duitser. Het omhulsel, haar vorige man, gooit ze keurig bij het vuilnis.


Het is even verleidelijk als onzinnig om Keret terug te brengen tot bekendere, makkelijker te classificeren voorbeelden. Beter is om na te gaan waarom zijn verhalen zo bijzonder zijn. Het is niet zozeer de stijl. Die is helder, eenvoudig, zeer leesbaar, maar Keret is niet het type schrijver dat in elke zin een watermerk achterlaat. Het zit ‘m meer in de combinatie van onderwerpkeuze, verteltempo en maffe wendingen waardoor je een Keret-alinea er in een blinde test meteen tussenuit zou pikken.

De verhalen verschillen sterk qua toon en genre. Er zijn fabels, anekdotes, column-achtige stukken in de eerste persoon, en meer rechttoe rechtaan-verhalen met een hoofdpersoon, een conflict en een ontknoping waar in een rechte lijn naartoe wordt geschreven. En er zijn verhalen waarin al die genres samenkomen.

Als er al een gemeenschappelijke noemer is, is dat: vaart. Keret lokt je soepel en zelfverzekerd zijn verhalen in. Weinig auteurs schrijven zulke goede eerste zinnen. Een vrij willekeurige selectie: “Het begon met een kus.” Of: “’s Nachts is het het moeilijkst.” Of, laatste voorbeeld: “Het eerste verhaal dat Maja schreef ging over een wereld waarin mensen zich deelden in plaats van zich voort te planten.” Vooruit, nog eentje dan: “Hebben jullie je ooit afgevraagd wat het meest voorkomende woord is dat mensen gebruiken wanneer ze op het punt staan een gewelddadige dood te sterven?” Simpele openingszinnen die soms een drama aankondigen, soms een raar voorval, en soms alleen maar een personage of een toon neerzetten. Maar het zijn altijd zinnen die je nieuwsgierig maken. Knap gevonden, raak geformuleerd.


Even tussendoor, de vertaling, door Adriaan Krabbendam en Ruben Verhasselt, is erg goed – de basis was niet de Hebreeuwse brontekst, maar de Amerikaans-Engelse vertaling. Een vertaling van een vertaling dus. Ongetwijfeld zal er wat verloren zijn gegaan, maar daar is weinig van te merken.

Keret vertelt alsof hij zich laat leiden door toevallige ingevingen, en tegelijkertijd alsof hij precies weet wat hij doet, of beter gezegd, precies weet hij hoe hij met die toevallige ingevingen het grootste effect kan bereiken. Hij wisselt opeens van verteller, een realistisch verhaal verandert binnen een alinea in een surrealistisch verhaal, en dat gebeurt allemaal zonder enige aankondiging, maar ook zonder hapering. Welke wending de verhalen ook nemen, het is altijd duidelijk waar we zijn en wie er aan het woord is. Mysterieus, raar – nooit verwarrend.

De verhalen variëren van totaal bizar tot realistisch met een rare twist, tot compleet realistisch. Het gekke is: de realistische verhalen doen niet per se ‘echter’ aan dan de verhalen met engelen of parallelle universa. Vrijwel altijd weet Keret de goede toon te treffen. Warm, charmant, zonder dat het zoet wordt. Vooral dat laatste is zeldzaam. De vrolijke verhalen hebben een treurige ondertoon, de rauwe, diep trieste geschiedenissen voelen aan als feel good-verhalen, je leest ze met een glimlach.

Sommige verhalen zijn weinig meer dan amusante, wat melige anekdotes, veredelde broodjes aap, en andere zijn wel erg vergezocht, op het irritante af. Zelfs dan is er altijd wel een zin of alinea te vinden die je ergernis verzacht.

“Ik ken een gozer die constant fantaseert,” zo begint ‘Met z’n ogen dicht’. Ik ken er nu ook een. Ik kan ‘m aan iedereen aanraden.


Etgar Keret: Verrassing. (Vertaling: Adriaan Krabbendam en Ruben Verhasselt) Podium. € 18,50. Ook via ako.nl.

Dries Muus